Grote populierenhaan
De grote populierenhaan (Chrysomela populi) is een kever uit de familie bladkevers (Chrysomelidae). De grote populierenhaan komt in grote delen van Europa zeer algemeen voor, ook in Nederland en België.
De grote populierenhaan (Chrysomela populi) is een kever uit de familie bladkevers (Chrysomelidae). De grote populierenhaan komt in grote delen van Europa zeer algemeen voor, ook in Nederland en België.
De grote roodoogjuffer is een stevige waterjuffer die veel voorkomt bij zonnige vijvers en plassen. Ze is herkenbaar aan de felle rode ogen van de mannetjes. Ze rusten graag op drijvende bladeren van waterplanten. De larven leven twee jaar onder water voordat ze in de zomer als libel tevoorschijn komen.
De grote wolbij is een opvallende solitaire bij die veel voorkomt in tuinen en parken. Het mannetje is groter dan het vrouwtje en verdedigt fel zijn territorium rond bloemen. Vrouwtjes maken nesten in holtes en bekleden deze met plantenharen. Ze verzamelen nectar en stuifmeel van bloemen voor zichzelf en hun larven.
De heivlinder is een middelgrote vlinder met een spanwijdte tot 60 mm. Hij is meester in camouflage dankzij zijn gemarmerde vleugelonderkant. De vlinder vliegt van eind juni tot september en is te vinden op droge zandgronden, zoals heidevelden en duinen. In Nederland staat hij als ‘gevoelig’ op de Rode Lijst.
De honinhbij (Apis mellifera) is een insect uit de familie van de bijen en de hommels (Apidae). Hij komt voor in vrijwel alle mogelijke leefomgevingen, alleen op plaatsen waar het te koud of juist te warm is komt de soort niet voor. De enige uitzondering vormen dichtbegroeide bossen, hier zijn te weinig bloeiende planten voor de honingbij.
Het hooibeestje is een vlindersoort die voorkomt in Europa, waaronder Nederland. Het leeft in graslanden en open biotopen. De vlinder is herkenbaar aan zijn bruine vleugels met een oogvlek. Zijn levenscyclus omvat eitje, rups, pop en vlinder. Hij vliegt van mei tot augustus.
De houtpantserjuffer komt in heel Nederland voor op plaatsen met bomen of struiken aan de waterkant. De soort ontbreekt alleen in grote open polders en zeekleigebieden, waar dergelijke begroeiing ontbreekt.
Het icarusblauwtje (Polyommatus icarus) is een vlinder uit de familie van de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes (Lycaenidae). In Nederland is de verspreiding sinds het begin van de vorige eeuw nauwelijks veranderd. Wel zijn er vindplaatsen, met name in verstedelijkt gebied, bijgekomen.
De sint-jacobsvlinder (Tyria jacobaeae) is een dagactieve nachtvlinder uit de familie van de spinneruilen (Erebidae). In Nederland en België komt de sint-jacobsvlinder talrijk voor in de kuststreken en kustduinen, maar kan ook, zij het minder algemeen, in het binnenland worden aangetroffen.
De kanaaljuffer heeft een voorkeur voor heldere, stilstaande of gering stromende wateren met weinig vegetatie, zoals vaarten, kanalen, plassen in zand- of leemafgravingen, grote vijvers en beken. Het water moet een stabiele temperatuur hebben en zuurstofrijk zijn.
De kegelbijvlieg is een vrij grote zweefvlieg van zo’n 15 mm lang, met vleugels van 8,25 tot 12,75 mm. Zijn zwarte achterlijf is versierd met twee geeloranje kegels, waaraan hij zijn naam te danken heeft.
Het klein geaderd witje is een delicate vlinder met een wereldwijde verspreiding. In Nederland komt hij veel voor in open graslanden en tuinen. De soort onderscheidt zich door fijne grijze adering op de vleugels. Zijn levenscyclus omvat eitjes, rupsen en popstadia, met vluchten van april tot oktober.
Het klein koolwitje is een van de meest algemene vlinders, herkenbaar aan zijn witte vleugels met zwarte stippen. Met een spanwijdte tot 57 mm is het een middelgrote vlinder. Zijn rups, een bekende plaag, voedt zich voornamelijk met koolgewassen. Dit maakt de soort wereldwijd wijdverspreid en succesvol.
De kleine bijvlieg (Eristalis arbustorum) is een insect uit de familie zweefvliegen (Syrphidae). Hij leeft in uiteenlopende open biotopen, maar minder in bossen. Hij zit vaak aan randen van graslanden of op andere beschutte plekken en wordt ook in geheel open biotopen zonder beschutting in grote aantallen aangetroffen.
De kleine parelmoervlinder is een middelgrote vlinder met een spanwijdte van ongeveer 35 tot 46 millimeter. De bovenzijde van de vleugels is geelrood tot oranjegeel en bedekt met regelmatige rijen ronde zwarte stippen, wat hem een karakteristiek gevlekt uiterlijk geeft.
De kleine rotsvlinder heeft een spanwijdte van 35 mm. De bovenkant van de vleugels is grijsbruin. met een groot deel dat oranjebruin is gekleurd, gescheiden door een donkerbruine veeg. In dit oranje veld bevindt zich nabij de vleugelpunt meestal een zwarte vlek met een dubbele witte kern.
De kleine tanglibel is 50-53 mm lang met een spanwijdte van 55-75 mm. De grijs tot groen ogen staan wijd uit elkaar. Tussen de ogen zitten achter het gele voorhoofd twee gele dwarsstreepjes.
De kleine vos is een kleurrijke vlinder die je vaak in de tuin ziet. De rupsen groeien op brandnetels en leven eerst in groepen samen. Na een korte tijd als pop vliegen ze als vlinders van bloem naar bloem. Ze overleven de winter op zolders of in schuurtjes.
In Nederland is de kleine vuurvlinder een algemene standvlinder en de omvang van het verspreidingsgebied is in de afgelopen eeuw nauwelijks veranderd. De verspreiding komt grotendeels overeen met de ligging van de zandgronden en het laagveen.
Het knopsprietje leeft in droge, spaarzaam begroeide leefgebieden, zoals heidevelden, zandduinen en droge graslanden, maar is ook te vinden op droge en spaarzaam begroeide plekken in heidegebieden. Hij heeft kale grond nodig en vermijdt kalkrijke grond.
De kolibrievlinder heeft in het westelijke verspreidingsgebied een vleugelspanwijdte van 36 tot 50 millimeter bij een gewicht van ongeveer 0,3 gram. In het oostelijke verspreidingsgebied wordt hij groter en bereikt daar een spanwijdte van 40 tot 76 millimeter.
De koninginnenpage (Papilio machaon) is een vlinder uit de familie van de pages (Papilionidae). Het is een vrij schaarse standvlinder die vooral in de zuidelijke helft van het land wordt waargenomen. Het is echter een zeer mobiele vlinder die over grote afstanden kan zwerven. De omvang van het verspreidingsgebied fluctueert dan ook min of meer jaarlijks.
De koningspage is een zeer grote, opvallende vlinder. Het mannetje van de koningspage heeft een spanwijdte van 60 – 80 mm en het vrouwtje 62 – 90 mm. Ze worden ongeveer 45 mm lang. In Nederland is hij een zeldzame zwerver. Gemiddeld wordt er ongeveer één exemplaar per jaar waargenomen.
De koperen beekjuffer is een opvallende libel uit Zuid-Europa en Noord-Afrika. Ze leeft bij schone, stromende beken met veel oeverplanten. De larven groeien twee jaar onder water en vervellen vaak. In Nederland komt deze soort niet in het wild voor en ze geniet hier dan ook geen wettelijke bescherming.