• Broekbijvlieg

Beschrijving van de broekbijvlieg

Leefgebied

Het mondiale verspreidingsgebied van de broekbijvlieg ligt voornamelijk in de Palearctische regio. De soort komt voor in grote delen van Europa en strekt zich uit naar aangrenzende gebieden in Azië, waaronder Siberië. Waarnemingen tonen aan dat de soort vooral voorkomt in gematigde klimaten van het noordelijk halfrond.

Europa

Binnen Europa is de soort wijdverspreid, maar vaak lokaal schaars. De soort leeft in Noord- en Midden-Europa, waaronder Duitsland, Zweden, Finland en Noorwegen, en komt ook voor in Oost-Europa tot in Rusland. In West-Europa is de soort bekend uit België en sinds kort ook uit Nederland. De verspreiding laat zien dat de soort vooral in koelere en vochtige streken voorkomt, vaak in de nabijheid van bossen en beekdalen. De aanwezigheid in Scandinavië en Oost-Europa wijst op een voorkeur voor noordelijke en oostelijke klimaatzones, terwijl de westelijke verspreiding beperkter is.

Nederland

In Nederland werd hij voor het eerst vastgesteld in 2017 in natuurgebied De Meinweg in Midden-Limburg. Daar werden binnen enkele dagen meerdere exemplaren gevonden, wat suggereert dat er een kleine populatie aanwezig was. Sindsdien zijn er slechts enkele aanvullende waarnemingen gedaan, vooral in het zuiden van het land. De soort geldt daarmee nog steeds als zeer zeldzaam in Nederland en lijkt zich slechts langzaam uit te breiden.

Habitat en biotoop

De habitat bestaat wereldwijd vooral uit vochtige, bloemrijke gebieden. De larven ontwikkelen zich in stilstaand of langzaam stromend water dat rijk is aan organisch materiaal. Dit betekent dat de soort vaak voorkomt in beekdalen, moerassen, bosranden en andere vochtige biotopen waar zowel geschikte voortplantingsplaatsen als voldoende bloeiende planten aanwezig zijn.

De combinatie van natte omstandigheden voor de larven en bloemrijke vegetatie voor de volwassen dieren bepaalt in hoge mate het leefgebied van deze soort.

Herkenning

Het volwassen insect heeft een lichaamslengte van 10 tot 12 millimeter en een vleugelspanwijdte van 15 tot 20 millimeter. Het lichaam is donkerbruin tot zwart gekleurd met lichtere beharing en vertoont een sterke gelijkenis met honingbijen.

De achterpoten zijn opvallend donker, wat de soort de Nederlandse naam broekbijvlieg heeft gegeven. De vleugels zijn helder, maar tonen een lichte bruine zweem. Het gezicht is licht behaard en de antennen zijn kort en donker. Het borststuk is glanzend donker met fijne beharing, terwijl het achterlijf een patroon van donkere en lichtere banden laat zien dat per individu kan variëren. Deze uiterlijke kenmerken maken de soort lastig te onderscheiden van verwante soorten zoals de bergbijvlieg en de bosbijvlieg.

Larve

De larve behoort tot de zogenaamde rattenstaartlarven, die bekendstaan om hun lange, uitschuifbare adembuis waarmee ze zuurstof opnemen aan het wateroppervlak. Deze adembuis kan meerdere malen de lichaamslengte bedragen.

Het lichaam is cilindrisch, bleek tot lichtbruin van kleur en kan een lengte bereiken van ongeveer 20 millimeter. De huid is glad en enigszins doorschijnend, waardoor interne structuren soms zichtbaar zijn.

Pop

De pop is tonvormig en stevig van structuur, met een lengte die varieert tussen 10 en 15 millimeter. De kleur is donkerbruin tot zwart en het oppervlak is glad met enkele ademopeningen aan de voorzijde. De vorm is enigszins afgerond aan beide uiteinden, waarbij de restanten van de adembuis van de larve soms nog zichtbaar zijn.

In de pop vindt de volledige metamorfose plaats, waarbij het volwassen insect zich ontwikkelt uit de larvale structuren. De stevige buitenwand beschermt het zich ontwikkelende imago tegen uitdroging en predatie.

Voedsel

De broekbijvlieg bezoekt bloemen om nectar en stuifmeel te verzamelen als voedsel. Deze eetgewoonte is typisch voor zweefvliegen van het geslacht Eristalis en maakt ze tot belangrijke bestuivers in diverse ecosystemen. Met hun zuigsnuit nemen ze vloeibare suikers uit nectar op en eten ze tegelijkertijd stuifmeel dat eiwitten en andere voedingsstoffen bevat.

Larve

De larven eten rottend plantaardig materiaal, bacteriën en andere micro-organismen die in deze zuurstofarme omgeving te vinden zijn. De lange ademhalingsbuis maakt het mogelijk voor de larven om zuurstof op te nemen aan het wateroppervlak, terwijl ze zich voeden in de modderige onderlaag. De larven worden vaak aangetroffen in mestputten, modderige sloten en plassen met veel afgevallen bladeren van bijvoorbeeld eik, wilg en populier.

Weetjes over de broekbijvlieg

  • De soort werd in 1866 voor het eerst beschreven door Friedrich Hermann Loew, een Duitse entomoloog die veel bijdroeg aan de kennis van tweevleugeligen.
  • De soort heeft meerdere synoniemen gekregen in de taxonomische literatuur, waaronder Eristalis beltrami en Eristalis vandykei, wat laat zien dat de determinatie in het verleden niet altijd eenduidig was.
  • Zweefvliegen van het geslacht Eristalis spelen een belangrijke rol als bestuivers. Zij bezoeken een breed scala aan bloemen en dragen zo bij aan de bestuiving van zowel wilde planten als landbouwgewassen.
  • De vleugeladering van deze soort vertoont de kenmerkende golvende buiging in de radiale ader R4+5, die gebruikt wordt als diagnostisch kenmerk om de soortgroep te onderscheiden van andere zweefvliegen.

Gedrag

Het volwassen insect bezoekt bloemen om nectar en stuifmeel te verzamelen en kan langdurig stil in de lucht hangen, een kenmerkend zweefgedrag waaraan de familienaam “zweefvliegen” te danken is. Het imago bootst in uiterlijk en gedrag honingbijen na, wat een vorm van mimicry is die bescherming biedt tegen predatoren.

Het gedrag van de broekbijvlieg is niet alleen gericht op voedselopname, maar ook op het vinden van geschikte partners voor voortplanting.

Mannetjes vertonen vaak territoriaal gedrag door een specifieke plek in de lucht te claimen en indringers weg te jagen, terwijl vrouwtjes zich meer richten op het zoeken naar voedsel en geschikte locaties voor het leggen van eieren.

Larve

De larven leven in modderige of vervuilde wateren en gebruiken hun lange adembuis om zuurstof op te nemen aan het wateroppervlak, terwijl ze zich voeden in de sliblaag eronder. Het gedrag is vooral gericht op het filteren en opnemen van bacteriën en rottend plantaardig materiaal, waardoor zij een belangrijke rol spelen in de afbraak van organische stoffen.

Mobiliteit

Het is een mobiele soort die zich actief kan verplaatsen op zoek naar voedsel en geschikte habitats. Het imago kan grote afstanden afleggen tijdens het foerageren en is in staat om verschillende biotopen te bereiken, zolang er bloemen aanwezig zijn. De sterke vliegspieren en het vermogen om te zweven maken de soort flexibel in zijn bewegingen. Binnen de Palearctische regio is de soort wijdverspreid, wat erop wijst dat zij in staat is om zich over grote geografische gebieden te verplaatsen en nieuwe leefgebieden te koloniseren.

De larven zijn weinig mobiel in vergelijking met het imago en bewegen zich traag door het substraat.

Vliegtijd

De vliegtijd loopt in Europa uit van het voorjaar tot in de herfst. In gematigde streken worden de eerste exemplaren vaak waargenomen vanaf mei, waarna de activiteit piekt in de zomermaanden juni tot augustus. In gunstige omstandigheden kan de soort ook in september en oktober nog worden gezien.

De vliegtijd weerspiegelt de beschikbaarheid van bloemen en geschikte weersomstandigheden, omdat de volwassen dieren sterk afhankelijk zijn van nectar en stuifmeel. In noordelijker gelegen gebieden kan de vliegtijd korter zijn en meer geconcentreerd in de zomermaanden, terwijl in zuidelijkere regio’s de periode langer kan doorlopen.

Voortplanting

De levenscyclus van de broekbijvlieg verloopt in vier fasen: ei, larve, pop en imago. De totale levenscyclus van ei tot volwassen insect kan in gunstige omstandigheden binnen zes tot acht weken worden voltooid, maar in koelere klimaten kan de ontwikkeling langer duren en overwinteren sommige stadia.

Eitje

Het vrouwtje legt haar eitjes in vochtige of aquatische milieus die rijk zijn aan organisch materiaal. Het aantal eitjes varieert per legsel, maar zoals bij andere soorten van het geslacht Eristalis kan het gaan om enkele honderden in totaal. De eitjes zijn klein, witachtig en worden vaak in groepjes afgezet op het wateroppervlak of in de nabijheid van rottend plantaardig materiaal. De embryonale ontwikkeling verloopt snel; binnen enkele dagen komen de larven uit.

Larve

De larvale ontwikkeling verloopt in drie stadia, waarbij de larve telkens vervelt om te kunnen groeien. De duur van de larvale fase hangt af van de temperatuur en de voedselrijkdom van het water, maar bedraagt doorgaans twee tot drie weken.

Pop

Na de laatste vervelling verandert de larve in een pop. Deze fase vindt plaats in hetzelfde substraat waarin de larve leefde. De popfase duurt meestal één tot twee weken, afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Binnen de pop vindt de volledige metamorfose plaats, waarbij de structuren van de larve worden omgevormd tot die van het volwassen insect.

Imago

Het volwassen insect leeft enkele weken tot enkele maanden, afhankelijk van de omstandigheden.

Predatie

De predatie verschilt sterk per levensfase. De eitjes en jonge larven zijn kwetsbaar en worden vaak gegeten door kleine waterdieren zoals kevers, larven van libellen en andere aquatische predatoren zoals vissen. Hoewel de larven door de adembuis in staat zijn om te overleven in omstandigheden waar weinig concurrentie is, maakt het hen ook zichtbaar voor predatoren die aan het wateroppervlak jagen.

De pop is gevoelig voor predatie door insecten die in de modder of het water zoeken naar voedsel. Toch biedt de stevige popwand enige bescherming tegen kleinere predatoren.

Het imago lijkt sterk op een honingbij, wat ervoor zorgt dat veel vogels en andere insecteneters de soort vermijden, omdat zij bijen associëren met pijnlijke steken. Toch is deze bescherming niet volledig. Vogels die gespecialiseerd zijn in het eten van insecten, zoals vliegenvangers, kunnen de soort vangen, en ook spinnen en roofinsecten zoals roofvliegen vormen een bedreiging. Daarnaast kunnen parasitaire wespen en mijten de soort belagen door hun eitjes in of op de larven of poppen af te zetten.

Bedreiging

Wereldwijd wordt deze soort niet officieel als bedreigd beschouwd. Er is geen bewijs dat de populaties massaal achteruitgaan. In internationale databases zoals GBIF staat de soort vermeld zonder bedreigingsstatus. Ook op de Rode Lijst van de IUCN is ze niet apart beoordeeld, wat erop wijst dat ze momenteel niet als bedreigd wordt gezien.

Dit betekent echter niet dat de soort geen risico’s ondervindt. Zweefvliegen in het algemeen staan onder druk door verlies van leefgebied, intensivering van landbouw, gebruik van pesticiden en klimaatverandering. Voor de broekbijvlieg geldt dat zij afhankelijk is van vochtige, bloemrijke biotopen en van waterlichamen met organisch materiaal voor de ontwikkeling van de larven. Wanneer deze omstandigheden verdwijnen of verslechteren, kan dit lokaal leiden tot achteruitgang van de soort.

Nederland

In Nederland is de situatie anders, omdat de soort pas in 2017 voor het eerst werd vastgesteld in natuurgebied De Meinweg in Limburg. Sindsdien zijn er slechts enkele waarnemingen gedaan, vooral in het zuiden van het land. Dit maakt duidelijk dat de soort hier nog steeds zeer zeldzaam is en dat er geen sprake is van een stabiele of wijdverspreide populatie.

Hoewel er geen officiële rode-lijststatus voor de soort in Nederland bestaat, kan zij in de praktijk als kwetsbaar worden beschouwd vanwege haar beperkte verspreiding en afhankelijkheid van specifieke habitats. De aanwezigheid in Limburg suggereert dat de soort mogelijk een uitbreiding doormaakt vanuit België en Duitsland, maar het is nog onzeker of zij zich blijvend zal vestigen. Voorlopig blijft de broekbijvlieg in Nederland een zeldzame verschijning.

Bescherming

Omdat de soort nog maar kort in het land voorkomt en haar verspreiding beperkt is, is er geen officiële beschermingsstatus opgenomen in de Nederlandse wetgeving of in de Rode Lijst van zweefvliegen. Dit betekent dat de soort niet wettelijk beschermd is en dat er geen specifieke maatregelen zijn vastgelegd om haar populaties te behouden. Toch geldt dat de bescherming van haar leefgebied indirect van groot belang is. De soort is afhankelijk van bloemrijke, vochtige gebieden en van waterlichamen met organisch materiaal waarin de larven zich kunnen ontwikkelen. Het behoud van natuurgebieden zoals De Meinweg, waar de soort voor het eerst werd aangetroffen, draagt daarom bij aan de kansen voor vestiging en uitbreiding.

Bronnen

Eristalis obscura

Taxonomie

RijkAnimalia
StamArthropoda (geleedpotigen)
KlasseInsecta (insecten)
OrdeDiptera (tweevleugeligen)
FamilieSyrphidae (zweefvliegen)
GeslachtEristalis
Synoniemen
Kenmerken
Grootte10-12 mm
Vleugellengte9-10 mm
Spanwijdte15-20 mm
VoedingNectar en stuifmeel
VliegperiodeMei tot in oktober
Voortplanting
PaartijdLente en zomer
Aantal eitjesHonderden eitjes
Grootte eitjes1 mm
Duur ei-stadiumEnkele dagen
Grootte larve20 mm
Duur larvenstadium2-3 weken
Aantal vervellingen3 vervellingen
Grootte pop10-15 mm
Duur popfase1-2 weken
UitsluipenZomermaanden

Voorkomen in Nederland

StatusIncidenteel/Periodiek
ZeldzaamheidZeer zeldzaam
Rode LijstNiet vermeld
BeschermingGeen
Verspreiding
NederlandLimburg
EuropaGroot deel van Europa
WereldPalearctische regio
BiotoopvoorkeurVochtige, bloemrijke gebieden
Verspreidingskaart van Eristalis obscura in Nederland.
Verspreidingskaart broekbijvlieg


Ontdek meer van Fauna & Flora

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Scroll naar boven