• Lichtblauwe vlinder op groen blad
  • Grijze vlinder op groen blad

Beschrijving van het boomblauwtje

Leefgebied

Mondiaal

Het boomblauwtje kent een grote mondiale verspreiding en komt voor in het Palearctisch en Nearctisch gebied. Ze zijn dan ook te vinden in een groot deel van Europa, Noord-Afrika en gematigde delen van Azië, zoals Siberië, Japan en de Himalaya. Ook in Noord-Amerika is de soort wijdverspreid, van Canada tot in Mexico.

Europa

In Europa komt het boomblauwtje in bijna alle landen voor. Ze ontbreken alleen in het noordelijkste puntje van Scandinavië en op enkele zeer geïsoleerde eilanden. De soort komt algemeen voor van het zuiden van de Middellandse Zee tot aan Midden-Zweden en Finland.

Nederland

In zowel Nederland als België is het boomblauwtje een zeer algemene standvlinder. Ze komen overal in het gehele land voor, zowel in landelijke gebieden als in sterk bebouwde stedelijke omgevingen.

Habitat en biotoop

Mondiaal gezien bezetten ze een breed scala aan leefgebieden. Ze komen voor in open loofbossen, bosranden, heggen, parken en tuinen. Omdat ze zich snel kunnen aanpassen, voelen ze zich net zo goed thuis in natuurgebieden als in dorpen en steden.

Herkenning

Vlinder

Het boomblauwtje heeft een spanwijdte van ongeveer 26 tot 34 millimeter en een voorvleugellengte van 13 tot 17 millimeter. De bovenzijde van de vleugels is bij het mannetje glanzend hemelsblauw met een dunne zwarte rand. Bij het vrouwtje is de bovenzijde ook blauw, maar ze heeft op de rand van de voorvleugels een brede zwarte band, die in het voorjaar smaller is dan in de zomer. De onderzijde van de vleugels is bij beide geslachten zilverachtig lichtblauw tot bijna wit met kleine zwarte vlekjes, zonder oranje vlekken.

Rups

De rups van het boomblauwtje wordt zo’n 13 tot 15 millimeter lang. Ze hebben een opvallend pissebed-achtig, afgeplat lichaam dat groen van kleur is, vaak met roze, rode of witte accenten en fijne korte haartjes. Omdat ze zich goed aanpassen aan de kleur van de bloemknoppen waarvan ze eten, valt het kleurpatroon binnen de vegetatie nauwelijks op.

Pop

De pop is stevig en heeft een compacte en bolle vorm. Ze is lichtbruin tot beigebruin van kleur met donkere vlekjes en streepjes, waardoor ze veel op een verdord blad of een stukje schors lijkt. De pop bevindt zich meestal op de grond tussen plantenresten of vastgehecht aan plantenstengels en boomstammen.

Voedsel

De volwassen vlinders voeden zich hoofdzakelijk met nectar uit verschillende bloemen. Ze bezoeken onder meer de bloemen van braam, klimop, sporkehout, liguster en koninginnenkruid. Daarnaast drinken ze soms vocht uit vochtige bodems of honingdauw die door luizen wordt uitgescheiden.

Waardplanten

De rupsen van het boomblauwtje gebruiken diverse plantensoorten als voedsel, waarbij ze een sterke voorkeur hebben voor de bloemknoppen, bloemen en jonge vruchten. In het voorjaar eten ze vooral van sporkehout, krentenboompje, hulst en kornoelje. In de zomer stappen ze vaak over op klimop, struikhei, kattenstaart en vlinderstruik.

Weetjes over het boomblauwtje

  • In tegenstelling tot de meeste andere blauwtjes, die dicht bij de grond vliegen, bewegen deze vlinders zich vaak hoog rond de toppen van bomen en struiken.
  • De vrouwtjes passen de keuze voor hun legplaats aan het seizoen aan. In het voorjaar leggen ze hun eitjes meestal op de knoppen van sporkehout of hulst, terwijl de zomergeneratie kiest voor de bloemknoppen van klimop.
  • De rupsen bezitten een speciale klier op hun rug die een zoete vloeistof afscheidt. Mieren snoepen graag van dit sap en beschermen de rupsen in ruil daarvoor tegen vijanden.
  • Als de vlinders rusten, houden ze hun vleugels vrijwel altijd ingeklapt. Alleen bij erg koel weer klappen ze hun vleugels soms een klein beetje open om de warmte van de zon op te vangen.
  • De populatie van het boomblauwtje kent een herhalende cyclus van zo’n zes tot zeven jaar. Dit wordt veroorzaakt door een specifieke sluipwesp die haar eitjes in de rupsen legt; als er veel vlinders zijn, groeit het aantal sluipwespen mee, waarna het aantal vlinders weer sterk daalt.
  • Het boomblauwtje is een van de eerste blauwtjes die in het voorjaar te zien is. Bij uitzonderlijk zacht weer in de winter is er in Zwitserland zelfs een actief exemplaar in januari waargenomen.

Gedrag

Gedrag van de vlinder

Het boomblauwtje vertoont heel specifiek gedrag dat duidelijk verschilt van andere blauwtjes. Mannetjes patrouilleren voortdurend langs de toppen van bomen, struiken en heggen om vrouwtjes te zoeken. Ze vertonen daarbij territoriaal gedrag en jagen andere mannetjes vaak weg. Wanneer de vlinders rusten op bladeren of bloemen, houden ze hun vleugels vrijwel altijd strak dichtgeklapt. Alleen op erg koele ochtenden klappen ze hun vleugels een klein beetje open om de eerste zonnestralen op te vangen. Vrouwtjes vliegen rustiger en zoekender rond de toppen van waardplanten om eitjes af te zetten op de knoppen van bloemen.

Gedrag van de rups

De rups leidt een zeer verborgen leven en vertrouwt volledig op haar camouflage. Ze bevindt zich vrijwel uitsluitend op de bloemknoppen en jonge vruchten van de waardplant. De rups boort een klein gat in een knop en eet deze van binnenuit helemaal leeg. Omdat ze precies dezelfde kleur heeft als de knoppen en bloemen, valt ze nauwelijks op. Bovendien onderhoudt de rups een actieve wisselwerking met mieren. Ze scheidt een zoete vloeistof uit waar mieren op afkomen, waardoor de mieren rond de rups blijven hangen en haar beschermen tegen vijanden zoals sluipwespen.

Mobiliteit

Het boomblauwtje is een zeer mobiele en actieve vlieger die zich snel en behendig door de lucht beweegt. In tegenstelling tot de meeste andere blauwtjessoorten, die dicht bij de grond in graslanden vliegen, vliegt het boomblauwtje voornamelijk op ooghoogte en op grotere hoogte tussen de kronen van bomen en hoge struiken. De soort is in staat om relatief grote afstanden af te leggen om nieuwe leefgebieden, zoals stedelijke tuinen of geïsoleerde bospercelen, te koloniseren.

Vliegtijd

Het boomblauwtje vliegt in twee, en in warme jaren soms zelfs drie, generaties per jaar. De eerste generatie verschijnt vroeg in het voorjaar en vliegt van april tot begin juni. De tweede generatie volgt al snel daarna en is te zien van begin juli tot eind augustus of september. In gunstige zomers kan er in het najaar nog een kleine derde generatie ontstaan.

Levenscyclus

Eitjes

De levenscyclus begint wanneer het vrouwtje eitjes een voor een afzet bij de bloemknoppen van een geschikte waardplant. Een vrouwtje legt tijdens haar leven enkele tientallen tot wel meer dan honderd eitjes. Het eitje is heel klein, plat en wit van kleur, en deze fase duurt ongeveer een tot twee weken.

Rups

Nadat de rups uit het ei kruipt, ondergaat ze vier vervellingen gedurende het rupsstadium. Deze fase duurt doorgaans drie tot vier weken, waarin de rups zich vol eet met bloemknoppen.

Pop

Wanneer de rups volgroeid is, zoekt ze een geschikte plek om te verpoppen, vaak op of nabij de grond tussen plantenresten of aan een stengel. De popfase duurt in de zomer ongeveer twee tot drie weken. Echter, de poppen van de najaarsgeneratie gaan in een rusttoestand en overwinteren, waardoor deze fase ruim een half jaar in beslag neemt.

Vlinder

De volwassen vlinder leeft gemiddeld twee tot drie weken. Tijdens haar korte volwassen leven houdt de vlinder zich voornamelijk bezig met het zoeken naar voedsel zoals nectar en honingdauw, het vinden van een partner en de voortplanting.

Bedreiging

Internationaal gezien wordt het boomblauwtje totaal niet bedreigd. De vlinder heeft een enorm groot verspreidingsgebied en de populaties zijn wereldwijd stabiel en omvangrijk.

Bedreiging in Nederland

Ook binnen Nederland is het boomblauwtje niet bedreigd. De soort staat niet op de Nederlandse Rode Lijst van dagvlinders. De vlinder maakt optimaal gebruik van de aanwezigheid van hulst en klimop in tuinen en parken, waardoor de populatie in Nederland gezond en zeer wijdverspreid is.

Bescherming in Nederland

Vanwege de zeer gezonde populatie en het ontbreken van bedreigingen geldt er in Nederland geen specifieke soortenbescherming voor het boomblauwtje. De vlinder profiteert automatisch van het algemene natuurbeleid en het behoud van groen in de gebouwde omgeving. Het planten van waardplanten zoals hulst, klimop en sporkehout in tuinen en parken helpt de soort om zich in stedelijke gebieden te blijven voortplanten.

Bronnen

Celastrina argiolus

Taxonomie

RijkAnimalia
StamGeleedpotigen (Arthropoda)
KlasseInsecten (Insecta)
OrdeVlinders (Lepidoptera)
FamilieLycaenidae (kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes)
GeslachtCelastrina
SynoniemenVuilboomblauwtje

Kenmerken

Voorvleugellengte 13-17 mm
Spanwijdte 26-34 mm
Waardplantensporkehout, hulst, klimop, kornoelje, struikhei en vlinderstruik
Vliegperiodeapril tot en met mei in de eerste generatie en van juli tot en met september in de tweede generatie
Grootte rups13-15 mm

Voortplanting

Aantal eitjesenkele tientallen tot ruim honderd eitjes
Eifaseéén tot twee weken
Rupsfasedrie tot vier weken
Popfasetwee tot drie weken

Voorkomen in Nederland

VoorkomenHet hele land
ZeldzaamheidAlgemene standvlinder
Bescherming
Rode lijstThans niet bedreigd
Verspreidingskaart Boomblauwtje in Nederland met atlasblokken
Verspreidingskaart boomblauwtje
@ 2026 NDFF Verspreidingsatlas Dagvlinders

Verspreiding

NederlandHet hele land
WereldEuropa, Noord-Afrika, gematigde delen van Azië en Noord-Amerika
BiotoopvoorkeurOpen loofbossen, bosranden, heggen, parken en tuinen


Ontdek meer van Fauna & Flora

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Scroll naar boven