• Bij bedekt met stuifmeel in gele bloem
  • Bij met stuifmeel op gele bloem

Beschrijving van het roodgatje

Leefgebied

Het roodgatje heeft een zeer groot verspreidingsgebied dat vrijwel het gehele noordelijk halfrond omvat. In de Palearctische regio komt de soort voor van West‑Europa tot de oostkust van Azië, inclusief Siberië, Mongolië, China en Japan. In het noorden reikt het verspreidingsgebied tot diep in Scandinavië; in het zuiden tot Noord‑Afrika en delen van het Nabije Oosten.

Europa

Binnen Europa is het roodgatje een algemene soort die voorkomt van de mediterrane landen tot ver boven de poolcirkel in Noorwegen, Zweden en Finland. Ook in Centraal‑Europa, de Alpen (tot ca. 1600 meter) en op de Britse Eilanden is de soort wijdverspreid. Alleen de koudste hooggebergten worden gemeden vanwege het gebrek aan geschikte nestplaatsen en bloeiende planten.

Nederland

In Nederland behoort het roodgatje tot de meest algemene bijensoorten. Het komt voor in alle provincies, zowel op zandgronden als in klei‑ en veengebieden. In minder bloemrijke landschappen vestigt de soort zich vaak in dorpen, steden en andere door mensen beïnvloede gebieden. Dankzij de brede ecologische tolerantie kan het roodgatje vrijwel overal overleven.

Habitat en biotoop

Het roodgatje stelt weinig eisen aan zijn leefomgeving. De soort geeft de voorkeur aan zonnige plekken met een losse bodem van zand of leem waarin de vrouwtjes hun nesten kunnen graven. Ze komen voor aan bosranden, op bloemrijke graslanden, bermen en spoordijken, maar ook in tuinen, parken, speeltuinen en sportvelden. Omdat ze nectar en stuifmeel verzamelen van een groot aantal plantensoorten, kunnen ze zich handhaven in zowel natuurlijke als door mensen aangelegde vegetaties.

Herkenning

Het roodgatje is een solitaire bijensoort. Het vrouwtje is 8–11 mm groot en herkenbaar aan de dichte roodbruine beharing op het borststuk en het glanzend zwarte achterlijf met aan de punt een opvallende oranjerode haarpluk. Mannetjes zijn kleiner (7–9 mm), slanker en hebben vaak een lichter, wittig gezicht door fijne haren. Zij missen de felle kleuraccenten van het vrouwtje.

De larve is een klein, wit, pootloos wormpje dat in een afgesloten broedcel in de grond leeft. Na de groeifase verandert zij in een pop, waarbij de lichaamsvormen van de volwassen bij geleidelijk zichtbaar worden.

Voedsel

Volwassen roodgatjes drinken nectar van een breed scala aan bloemen, waaronder wilgen, paardenbloemen, fruitbomen en meidoorns. Het vrouwtje verzamelt daarnaast stuifmeel aan haar achterpoten, dat zij mengt met nectar tot een voedzame brij voor de larven. Deze voedselvoorraad vormt het enige voedsel voor de larve tot aan de verpopping. Mannetjes verzamelen geen stuifmeel en leven uitsluitend van nectar.

De larven eten uitsluitend van de voorraad die de moeder in de broedcel heeft achtergelaten. Zodra een larve uit het ei komt, begint ze direct te eten van het stuifmeelmengsel tot ze groot genoeg is om te verpoppen.

Weetjes over het roodgatje

  • Ze behoren tot de allereerste bijen die je in het voorjaar buiten ziet vliegen.
  • De vrouwtjes graven hun nesten tot wel 30 centimeter diep in de grond.
  • Ze poetsen zich heel vaak om hun haren schoon te houden voor het verzamelen van stuifmeel.
  • Soms maken ze hun nesten vlak bij elkaar, waardoor het op een kleine bijenstad lijkt.
  • Ze bezoeken wel tachtig verschillende soorten planten om voedsel te vinden.
  • De mannetjes vliegen vaak in snelle banen langs struiken om een vrouwtje te vinden.
  • Ze zijn heel vredelievend en zullen mensen bijna nooit steken.
  • Soms dringt een speciale bijenwesp hun nest binnen om daar eigen eitjes te leggen.
  • Het rode plukje haar op hun achterlijf valt in de zon extra goed op voor andere bijen.

Gedrag

Gedrag van de vrouwtjes

Na het uitkomen in het voorjaar en de paring zoekt het vrouwtje een geschikte nestplaats op een zonnige, open bodem. Ze graaft een gang met meerdere broedcellen, die zij voorziet van een mengsel van stuifmeel en nectar. In elke cel legt zij één ei en sluit deze zorgvuldig af. Een groot deel van de dag besteedt zij aan voedsel verzamelen, nestonderhoud en het schoonhouden van haar lichaam.

Gedrag van de mannetjes

Mannetjes richten zich volledig op het vinden van vrouwtjes. Ze vliegen laag en snel langs struiken of over de grond en rusten soms kort op zonnige bladeren. Ze leven slechts enkele weken en sterven meestal kort na het paringsseizoen. Mannetjes kunnen niet steken en gedragen zich rustig.

Mobiliteit

Het roodgatje kan goed vliegen, maar blijft doorgaans binnen enkele honderden meters van het nest. Deze beperkte actieradius maakt voedselverzameling efficiënt. Bij warm en zonnig weer zijn ze het actiefst; bij kou of regen blijven ze beschut. Wind kan kleine individuen soms over grotere afstanden verplaatsen.

Vliegtijd

De vliegtijd begint meestal in maart, wanneer de bodem opwarmt. De piekactiviteit ligt in april en mei, parallel aan de bloei van veel vroege plantensoorten. Tegen eind juni verdwijnen de volwassen bijen. Omdat de soort één generatie per jaar heeft, verblijft de nieuwe generatie het grootste deel van het jaar ondergronds als larve, pop of volgroeide bij.

Voortplanting

De voortplantingscyclus van het roodgatje begint vroeg in het voorjaar, wanneer de overwinterde volwassen bijen uit de grond tevoorschijn komen. De mannetjes verschijnen doorgaans enkele dagen tot soms een week eerder dan de vrouwtjes. Deze vroege activiteit geeft hen een voorsprong bij het vinden van pas uitgekomen vrouwtjes. Zodra de eerste vrouwtjes boven de grond komen, vliegen de mannetjes in snelle, lage banen over open plekken en langs struiken om een partner te lokaliseren. De paring vindt meestal plaats op de grond of op lage vegetatie, vaak direct nadat het vrouwtje is uitgekomen en nog niet volledig opgewarmd is.

Na de paring blijven de mannetjes nog korte tijd actief om eventueel met andere vrouwtjes te paren, maar hun levensduur is beperkt tot twee à drie weken. De vrouwtjes leven aanzienlijk langer, ongeveer zes tot acht weken, en dragen de volledige verantwoordelijkheid voor de voortplanting en het grootbrengen van de volgende generatie.

Eitjes

Een vrouwtje kiest een zonnige, open plek met een losse bodem om haar nest te graven. De nestgang bestaat uit een hoofdgang met meerdere zijcellen. In elke broedcel legt zij één ei. Een gezond vrouwtje produceert gedurende haar leven ongeveer tien tot twintig eitjes, afhankelijk van haar conditie, de beschikbaarheid van voedsel en de weersomstandigheden. Na het leggen van een ei sluit zij de cel zorgvuldig af met een mengsel van speeksel en aarde. Deze afsluiting beschermt het ei tegen uitdroging, schimmels en indringers zoals parasitaire wespbijen.

Larvale fase

Na ongeveer een week komt het ei uit. De larve is volledig afhankelijk van de voedselvoorraad die het vrouwtje vooraf heeft aangelegd: een mengsel van stuifmeel en nectar dat een compacte, voedzame massa vormt. De larve eet deze voorraad volledig op en groeit in enkele weken uit tot een volgroeide larve. Omdat het vrouwtje de cel hermetisch afsluit, is de larve volledig geïsoleerd van de buitenwereld en kan zij zich ongestoord ontwikkelen.

Popfase

Wanneer de voedselvoorraad is opgegeten en de larve haar maximale grootte heeft bereikt, spint zij een cocon waarin de verpopping plaatsvindt. In deze popfase verandert de larve geleidelijk in een volwassen bij, waarbij de lichaamsstructuren — poten, vleugels, voelsprieten en het karakteristieke achterlijf — zich vormen. Deze fase duurt vele maanden en beslaat het grootste deel van het jaar. Het roodgatje overwintert als pop of als volledig ontwikkelde, maar nog inactieve bij in de cocon. Pas wanneer de temperaturen in maart of april weer stijgen, graaft de nieuwe generatie zich een weg naar buiten en begint de levenscyclus opnieuw.

Predatie

Het roodgatje wordt gegeten door verschillende vogels, zoals vliegenvangers en kwikstaarten, en kan in spinnenwebben terechtkomen tijdens het foerageren. Een gespecialiseerde vijand is de wespbij, die als koekoeksbij het nest binnendringt zodra het vrouwtje afwezig is. De larve van de wespbij eet vervolgens de voedselvoorraad en soms ook het ei of de larve van het roodgatje.

Bedreiging

Internationaal wordt het roodgatje niet als bedreigd beschouwd. De soort is wijdverspreid, weinig kieskeurig en bezoekt veel verschillende bloemen, waardoor zij minder kwetsbaar is dan gespecialiseerde bijen. Lokale achteruitgang kan optreden door intensief pesticidengebruik of het verdwijnen van open bodem, maar de totale Europese populatie blijft stabiel.

Bedreiging in Nederland

Ook in Nederland gaat het goed met het roodgatje. Op de Nederlandse Rode Lijst staat de soort als niet bedreigd. Dankzij de brede ecologische tolerantie komt het roodgatje voor in zowel tuinen als natuurgebieden.

Bescherming in Nederland

Er zijn geen specifieke beschermingsmaatregelen nodig. De soort valt onder de algemene bescherming van wilde bijen. Mensen kunnen helpen door bloeiende planten aan te bieden, kale zonnige bodemplekken open te laten en geen bestrijdingsmiddelen te gebruiken.

Bronnen

Andrena haemorrhoa

Taxonomie

RijkAnimalia
StamArthropoda (geleedpotigen)
KlasseInsecta (insecten)
OrdeHymenoptera (vliesvleugeligen)
FamilieApidae (bijen en hommels)
GeslachtAndrena (zandbijen)

Kenmerken

Grootte vrouwtje8-11 mm
Grootte mannetje7-9 mm
Spanwijdte vrouwtje14-18 mm
Voedingnectar en stuifmeel
Vliegperiodemaart-juni

Voortplanting

Paartijdmaart-april
Uitkomen eitjes5-10 dagen
Larve-ontwikkelingenkele weken
Popfasetot het volgende voorjaar

Voorkomen in Nederland

Statusniet bedreigd
Zeldzaamheidalgemene soort
Bescherminggeen speciale wettelijke bescherming

Verspreiding

Nederlandhet hele land
Wereldhele Palearctische regio
Biotoopvoorkeurzonnige, open plekken met losse grond
Verspreidingskaart van Roodgatje in Nederland
Verspreidingskaart roodgatje
EIS Verspreidingsatlas Insecten


Ontdek meer van Fauna & Flora

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Scroll naar boven