Weideschorpioenvlieg

  • Zwart-geel insect op groene bladeren.

Beschrijving van de weideschorpioenvlieg

Leefgebied

De weideschorpioenvlieg heeft een verspreiding die vooral geconcentreerd is in het Palearctisch gebied. De soort komt veel voor in grote delen van Europa en in aangrenzende regio’s van Azië. Onderzoek laat zien dat ze vooral in gematigde klimaatzones voorkomt en daar een stabiele populatie heeft. Wereldwijd gezien is de verspreiding dus niet kosmopolitisch, maar beperkt tot gebieden met een gematigd klimaat waar geschikte leefomstandigheden zijn.

Europa

Binnen Europa is de soort wijdverspreid en wordt ze beschouwd als een van de meest algemene schorpioenvliegen in Centraal- en Noordwest-Europa. Ook in Zuid-Europa zijn populaties aanwezig, maar daar is de verspreiding minder dicht. De soort werd lange tijd verward met de nauw verwante gewone schorpioenvlieg. Tegenwoordig wordt de weideschorpioenvlieg erkend als een aparte soort.

Nederland

In Nederland is de weideschorpioenvlieg een algemene soort die in vrijwel het hele land voorkomt. Hoewel ze vaak samen voorkomt met andere schorpioenvliegen, is de weideschorpioenvlieg goed herkenbaar door de kenmerkende vleugelpatronen. Het is een van de meest voorkomende schorpioenvliegen in Nederland en ze wordt regelmatig waargenomen in bosranden, houtwallen, parken en ruige vegetatiezones in polders.

Habitat en biotoop

Deze schorpioenvlieg is wereldwijd te vinden in droge en warme habitats, mits er voldoende beschutting is tegen hoge temperaturen. De soort wordt vaak aangetroffen langs de randen van struiken en lage vegetatie, waar voldoende schaduw en voedsel aanwezig zijn. Hoewel ze de voorkeur geeft aan open en zonnige plekken, komt ze ook voor in vochtige bossen en koelere gebieden, zolang er voldoende dekking en prooien beschikbaar zijn. De soort is dus flexibel in haar habitatkeuze, maar vermijdt extreme omstandigheden en is vooral gebonden aan gematigde klimaten.

Herkenning

Het imago van de weideschorpioenvlieg heeft een slank lichaam met een lengte van 9 tot 13 millimeter. De vleugels zijn doorzichtig en voorzien van donkere vlekken en banden die een karakteristiek patroon vormen. De spanwijdte bedraagt 25 tot 30 millimeter.

Het mannetje is eenvoudig te herkennen aan het naar boven gekromde achterlijf dat eindigt in een schorpioenachtig uiteinde, dat echter volledig ongevaarlijk is en uitsluitend wordt gebruikt tijdens de paring. Het vrouwtje heeft een meer recht toelopend achterlijf zonder dit opvallende uiteinde.

De kop is langwerpig en eindigt in een snavelvormige structuur waarmee het dier dode insecten en ander organisch materiaal kan eten. De vleugels worden in rust dakvormig over het lichaam gevouwen en geven het insect een fragiel uiterlijk, terwijl het in werkelijkheid een robuust en goed aangepast dier is in zijn leefomgeving.

Larve

De larve lijkt sterk op een rups en heeft een cilindrisch lichaam dat donkerbruin tot zwart van kleur is. Ze heeft korte borstpootjes en kleine uitsteeksels aan de achterzijde waarmee zij zich door de bodem kan bewegen. De lengte van de larve kan oplopen tot ongeveer 20 millimeter.

Pop

De pop ontwikkelt zich in de bodem en is een zogenoemde vrijlevende pop. Dit betekent dat ze niet in een cocon of een beschermend omhulsel zit, maar los in de grond ligt en zelfs enigszins kan bewegen. De lichaamsvorm is compact en donkerbruin tot zwart van kleur, waarbij de contouren van vleugels en poten al zichtbaar zijn. De lengte bedraagt doorgaans 10 tot 12 millimeter.

Voedsel

Het imago heeft een voedingspatroon dat grotendeels bestaat uit dode insecten en andere zachte organische resten. Het dier gebruikt de snavelvormige monddelen om vloeibare stoffen uit kadavers van kleine insecten op te nemen. Daarnaast eet het suikerrijke stoffen, zoals nectar en honingdauw, die het vindt op bladeren en stengels.

Larve

De larven leven in de bodem en hebben een dieet dat voornamelijk bestaat uit dood organisch materiaal. Ze eten resten van kleine insecten en andere dierlijke fragmenten die ze in de bodem aantreffen. Daarnaast eten ze ook plantaardig materiaal, zoals afgevallen bladeren van bomen, waaronder eiken en berken.

De larven spelen daarmee een rol in de afbraak van zowel dierlijk als plantaardig materiaal en dragen bij aan de kringloop van voedingsstoffen in de bodem. Hun voedingsgedrag is minder selectief dan dat van de volwassen dieren, omdat ze vrijwel alle zachte organische resten benutten die beschikbaar zijn.

Weetjes over de weideschorpioenvlieg

  • Tijdens de paring biedt het mannetje vaak een zogenaamd huwelijksgeschenk aan. Dit kan bestaan uit een klompje speeksel of een klein insect. Het vrouwtje accepteert dit geschenk en eet het op, terwijl het mannetje de kans krijgt om langer te paren. Dit gedrag wordt gezien als een vorm van seksuele selectie, waarbij de kwaliteit van het geschenk de voortplantingskansen van het mannetje vergroot.
  • De soort werd lange tijd beschouwd als een variatie van gewone schorpioenvlieg. Pas later werd duidelijk dat het een aparte soort is, die te onderscheiden is door subtiele verschillen in de vleugelpatronen.
  • De volwassen dieren voeden zich niet met levende prooien, maar met dode insecten en zoete stoffen zoals nectar en honingdauw. Daarmee spelen ze een rol als opruimers in hun leefgebied.
  • De larven leven in de bodem en lijken uiterlijk op rupsen. Ze voeden zich met dood organisch materiaal en dragen zo bij aan de afbraak van bladeren en kleine insectenresten.
  • In sommige gebieden worden weideschorpioenvliegen gevangen met bier- of fruitvallen, omdat de dieren worden aangetrokken door gistende stoffen.
  • Ondanks hun fragiele uiterlijk zijn schorpioenvliegen goed aangepast aan gematigde klimaten en kunnen ze in uiteenlopende habitats overleven, zolang er voldoende beschutting en voedsel aanwezig is.

Gedrag

Weideschorpioenvliegen zijn vooral overdag actief en bewegen zich veel in lage vegetatie en struiken. Naast het eten van dode insecten en zoete stoffen vertonen ze ook kleptoparasitisch gedrag door prooien uit spinnenwebben te stelen. Daarbij gebruiken ze hun achterlijf om prooien los te maken, waarbij zij zelfs spinnen kunnen verjagen.

Het sociale gedrag tijdens de voortplanting is bijzonder, omdat mannetjes zogenaamde huwelijksgeschenken aanbieden in de vorm van speekselklompjes of kleine prooien. Deze geschenken verlengen de paring en vergroten de kans op succesvolle bevruchting.

Vrouwtjes zijn polyandrisch en paren vaak met meerdere mannetjes, waarbij de kwaliteit en hoeveelheid van het geschenk bepalend zijn voor de duur van de copulatie en het aantal nakomelingen.

Larve

De larven leven in de bodem en gedragen zich als opruimers van organisch materiaal. Ze eten resten van insecten en plantaardig afval en dragen zo bij aan de afbraak van strooisel. De larven zijn vooral ’s nachts actief en verbergen zich overdag in de bodem om uitdroging en predatie te vermijden. Hun gedrag is minder opvallend dan dat van de volwassen dieren, maar ecologisch gezien spelen ze een belangrijke rol in de kringloop van voedingsstoffen. Tijdens de winter kunnen de larven in diapauze gaan en zo ongunstige omstandigheden overleven, waarna ze in het voorjaar verder ontwikkelen.

Mobiliteit

De mobiliteit is beperkt, omdat de volwassen dieren zwakke vliegers zijn. Hun vleugels zijn wel geschikt voor korte vluchten, maar ze verplaatsen zich meestal lopend door de vegetatie.

Naarmate het dier ouder wordt, neemt de vliegcapaciteit verder af door degeneratie van spierweefsel en verlies van elasticiteit. Hierdoor zijn de dieren vooral gebonden aan kleinschalige leefgebieden en verspreiden ze zich slechts langzaam over grotere afstanden. Dit verklaart waarom populaties vaak lokaal geconcentreerd aanwezig zijn en ze sterk afhankelijk zijn van geschikte biotopen.

Vliegtijd

De vliegtijd loopt in Europa van mei tot september. In veel gebieden ontwikkelt de soort zich in twee generaties per jaar.

De eerste generatie verschijnt in het voorjaar en kan overwinteren in het larvale stadium, terwijl de tweede generatie zich in de zomer ontwikkelt zonder diapauze en de cyclus nog in hetzelfde jaar voltooit Dit verschil heeft te maken met de seizoensinvloeden en de lengte van de dag. De larven van de eerste generatie komen in een periode met kortere dagen en lagere temperaturen terecht, waardoor ze een diapauze kunnen inzetten om de winter te overleven. De tweede generatie ontwikkelt zich in de warmere en langere dagen van de zomer en herfst, waardoor er geen prikkel is om in diapauze te gaan. Deze generatie voltooit de ontwikkeling dus direct en sterft daarna uit, terwijl de overwinterende larven van de eerste generatie de soort in stand houden tot het volgende voorjaar.

De levensduur van een volwassen dier bedraagt meestal enkele weken tot maximaal twee maanden. Tijdens de vliegtijd zijn de dieren het meest actief in warme en droge omstandigheden, vaak langs bosranden en in open landschappen met voldoende beschutting.

Voortplanting

Eitje

De levenscyclus begint met het afzetten van de eitjes door het vrouwtje in vochtige bodem. Een enkel vrouwtje kan in haar leven tussen de vijftig en enkele honderden eitjes leggen, vaak in kleine groepjes. De eitjes zijn ovaal en worden in de grond afgezet om uitdroging te voorkomen. Na ongeveer één tot twee weken komen de larven uit, waarbij de ontwikkelingsduur afhankelijk is van de temperatuur en de vochtigheid van de omgeving.

Larve

Tijdens haar ontwikkeling ondergaat de larve vier vervellingen voordat ze volgroeid is. De larvale fase duurt doorgaans zes tot acht weken, maar kan langer zijn wanneer de larve in diapauze gaat om de winter te overleven.

Pop

Na de laatste vervelling verandert de larve in een vrijlevende pop. Deze pop bevindt zich eveneens in de bodem en is donkerbruin van kleur. De pop kan zich enigszins bewegen, wat haar onderscheidt van veel andere insectenpoppen. De duur van dit stadium varieert van twee tot vier weken, afhankelijk van de omstandigheden.

Imago

Het volwassen insect, het imago, komt daarna tevoorschijn. Het leeft meestal enkele weken tot maximaal twee maanden. Tijdens deze periode voedt het zich met dode insecten, nectar en honingdauw en speelt het een rol in de voortplanting.

Predatie

Het volwassen insect is een zwakke vlieger en verblijft meestal in lage vegetatie of struiken, waardoor het kwetsbaar is voor vogels, spinnen en grotere insecten. Toch heeft het imago gedragingen ontwikkeld die de kans op predatie verkleinen. Zo kan het voedsel uit spinnenwebben stelen zonder zelf verstrikt te raken. Soms vallen ze zelfs spinnen aan die proberen hun buit te verdedigen. Dit gedrag brengt risico’s met zich mee, maar toont aan dat de soort actief met predatoren kan concurreren.

De larven leven in de bodem en zijn daardoor minder zichtbaar voor roofdieren. Ze worden echter wel gegeten door bodembewonende insecten, kleine zoogdieren en vogels die in de strooisellaag foerageren. Omdat de larven vooral ’s nachts actief zijn en zich overdag ingraven, beperken ze hun blootstelling aan predatie.

De pop is eveneens kwetsbaar, maar doordat ze vrijlevend in de bodem ligt en zich enigszins kan bewegen, is ze minder gemakkelijk te vinden dan onbeweeglijke poppen van andere insecten.

Hoewel de weideschorpioenvlieg geen actieve predator is, speelt ze wel een rol in voedselnetwerken door als prooi te dienen voor uiteenlopende dieren. De soort heeft geen verdedigingswapens zoals een angel of gif, maar vertrouwt op camouflage, gedrag en leefwijze om predatie te vermijden. Dit maakt haar ecologisch gezien een tussenschakel: enerzijds opruimer van organisch materiaal, anderzijds voedselbron voor hogere trofische niveaus.

Bedreiging

Mondiaal gezien wordt de weideschorpioenvlieg niet vermeld op internationale rode lijsten en er zijn geen aanwijzingen dat ze onder druk staat door grootschalige bedreigingen. Ze heeft een breed verspreidingsgebied in Europa en aangrenzende delen van Azië en is goed aangepast aan uiteenlopende habitats, zolang er voldoende beschutting en voedsel aanwezig is. Omdat de dieren zowel in open landschappen als in bosranden en parken voorkomen, zijn ze flexibel in hun leefwijze. Hierdoor is de soort niet gevoelig voor kleinschalige veranderingen in het landschap.

Er zijn geen aanwijzingen dat pesticiden of klimaatverandering momenteel een directe bedreiging vormen voor de populaties, al kan intensieve landbouw en verlies van kleinschalige landschapselementen lokaal wel invloed hebben op de aantallen.

Nederland

In Nederland geldt ze als een algemene soort die in vrijwel het hele land voorkomt. Volgens het Nederlands Soortenregister en de NDFF Verspreidingsatlas is de soort niet bedreigd en zijn er geen aanwijzingen voor een afname van de populatie.

De weideschorpioenvlieg wordt zelfs beschouwd als een van de meest algemene schorpioenvliegen in Nederland. Omdat ze zich goed weet aan te passen aan verschillende leefgebieden en ook in door mensen beïnvloede landschappen voorkomt, is de kans op bedreiging in Nederland gering. Daarmee is de soort ecologisch stabiel en niet opgenomen op nationale of regionale rode lijsten.

Bescherming

De weideschorpioenvlieg is niet opgenomen op de Nederlandse Rode Lijst en valt ook niet onder beschermingsregelingen zoals de Wet natuurbescherming. De aanwezigheid van de soort wordt regelmatig bevestigd door waarnemingen die in landelijke databanken worden verzameld. Dit geeft aan dat de populaties stabiel zijn en geen tekenen van achteruitgang vertonen.

De bescherming van de weideschorpioenvlieg in Nederland is daarom indirect en hangt samen met het behoud van kleinschalige landschapselementen en gevarieerde vegetatiestructuren waarin de soort zich thuis voelt. Zolang deze leefgebieden behouden blijven, is er geen noodzaak voor specifieke beschermingsmaatregelen.

Bronnen

Panorpa vulgaris

Taxonomie

RijkAnimalia
StamArthropoda (Geleedpotigen)
KlasseInsecta (insecten)
OrdeMecoptera (schorpioenvliegen)
FamiliePanorpidae (schorpioenvliegen)
GeslachtPanorpa
Synoniemen
Kenmerken
Grootte9-13 mm
Vleugellengte12-15 mm
Spanwijdte25-30 mm
VoedingDode insecten, nectar en honingdauw
VliegperiodeMei tot september
Voortplanting
PaartijdVanaf mei
Aantal eitjes50-100 eitjes
Grootte eitjes0,5 mm
Duur ei-stadium1-2 weken
Grootte larve20 mm
Duur larvenstadium6-8 weken en diapauze
Aantal vervellingen4 vervellingen
Grootte pop10-12 mm
Duur popfase2-4 weken
UitsluipenVoorjaar of in de zomer

Voorkomen in Nederland

StatusOorspronkelijk
ZeldzaamheidAlgemeen
Rode LijstNiet opgenomen
BeschermingGeen
Verspreiding
NederlandVrijwel het hele land
EuropaHeel Europa
WereldPalearctisch gebied
BiotoopvoorkeurGematigde landschappen met struiken, lage vegetatie en beschutte plekken.
Verspreiding van Panorpa vulgaris in Nederland.
Verspreidingskaart weideschorpioenvlieg


Ontdek meer van Fauna & Flora

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Scroll naar boven