• Bruine vlinder met oogvlekken op vleugels.

Beschrijving van de boszandoog

Leefgebied

Mondiaal

De boszandoog heeft een verspreidingsgebied dat zich uitstrekt over grote delen van Europa en Azië. De soort komt voor in landen zoals Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Zweden, Polen, Rusland en Japan. In Europa is hij lokaal aanwezig in vochtige loofbossen, maar zijn populaties zijn vaak versnipperd en nemen af door verlies van geschikt habitat.

In Oost-Azië, met name in delen van China en Japan, is hij juist veel algemener en kan hij zelfs in grote aantallen worden aangetroffen. De vlinder leeft vooral in bossen met een rijke ondergroei en prefereert warme open plekken binnen deze habitats. Hoewel hij in sommige gebieden nog voorkomt, is hij in andere landen zoals België en Luxemburg inmiddels uitgestorven.

Nederland

In Nederland is de boszandoog een uiterst zeldzame verschijning. De enige bekende waarneming dateert van 29 juli 1866, toen een mannetje werd gevangen bij de Balleman tussen Rijsbergen en Galder. Sindsdien zijn er geen bevestigde meldingen meer geweest, waardoor de soort als een dwaalgast wordt beschouwd. Er zijn geen gevestigde populaties in Nederland, en het is onwaarschijnlijk dat hij hier nog voorkomt. De waarneming uit 1866 wordt wel bewaard in het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis in Leiden.

Habitat en biotoop

De boszandoog leeft in vochtige, open bossen met een rijke ondergroei van grassen en kruiden. Deze vlinder geeft de voorkeur aan loofbossen of gemengde bossen waar de bodem in de winter vaak drassig is en waar een grote leeftijdsdiversiteit in de bomen voorkomt.

Hij komt vooral voor in gebieden met oude bosstructuren, zoals hakhoutbossen of uiterwaardenbossen langs rivieren, waar voldoende licht de bodem bereikt en grassen zoals wilde zegge en boskortsteel kunnen groeien. De soort vermijdt donkere, dichtbegroeide bossen en is sterk afhankelijk van open plekken met een weelderige vegetatie.

Herkenning

Vlinder

De boszandoog is een middelgrote vlinder met een overwegend donkerbruine kleur. Op de bovenzijde van de voorvleugels bevinden zich vijf tot zes opvallende oogvlekken die samen een ketting vormen, terwijl de achtervleugels er meestal twee tot vier hebben.

De onderzijde van de vleugels toont een variabele witte band die de oogvlekken omlijst, hoewel deze band bij sommige exemplaren sterk gereduceerd kan zijn, waardoor de vlekken lijken op te gaan in de grondkleur.

De vlinder rust graag op bladeren van struiken of bomen en opent zelden zijn vleugels wanneer hij stilzit.

Rups

De rups is groen van kleur en heeft een geelbruine kop. Over het lichaam lopen drie donkere lengtestrepen, en aan de zijkanten is een dubbele, bleke streep zichtbaar. De rupsen zijn goed gecamoufleerd en daardoor lastig te vinden in hun natuurlijke habitat, die bestaat uit vochtige, open bossen met een rijke ondergroei.

Pop

De pop is groen van kleur en heeft een opvallend hoekige kop met een klein uitstekend deel van het borststuk. Dit geeft haar een enigszins stekelige uitstraling, wat helpt bij camouflage tussen bladeren en grasstengels. De pop hangt meestal vrij aan een stengel of blad in de ondergroei van vochtige bossen, waar ze goed verborgen blijft. Tijdens het popstadium, dat ongeveer 15 tot 20 dagen duurt, blijft ze stil en kwetsbaar voor verstoring. De structuur van de pop is glad, en de vleugelomtrekken zijn al zichtbaar als lichte verdikkingen aan de zijkanten.

Voedsel

De volwassen vlinder eet voornamelijk nectar van bloemen die groeien op open plekken van vochtige bossen. Hij bezoekt onder andere bloeiende grassen en kruiden, maar ook sapstromen van bomen en rottend fruit worden benut als voedselbron. In sommige gevallen drinkt hij vocht uit modderige plekken of uit mest om mineralen en zouten binnen te krijgen die essentieel zijn voor zijn voortplanting. Deze voedingsgewoonten helpen hem om energie op te bouwen voor het vliegen en het zoeken naar een partner.

Waardplanten

De waardplanten bestaan voornamelijk uit grassen en zegges uit de families Poaceae en Cyperaceae. In verschillende delen van Europa is waargenomen dat de rupsen zich voeden met soorten zoals wilde zegge, trilgraszegge en boskortsteel.

Hoewel sommige populaties een voorkeur lijken te hebben voor specifieke soorten, blijkt uit experimenten dat de rupsen zich kunnen ontwikkelen op een breed scala aan zachte, breedbladige grassen en zegges. Deze polyfagie maakt de soort minder afhankelijk van één specifieke plantensoort, maar benadrukt wel het belang van vochtige bossen met een rijke ondergroei voor succesvolle voortplanting.

Weetjes over de boszandoog

  • De mannetjes verschijnen vaak eerder in het seizoen dan de vrouwtjes, waardoor ze al versleten zijn tegen de tijd dat de eerste vrouwtjes uitkomen.
  • In plaats van bloemen te bezoeken, voedt de vlinder zich vaak met sap van bloedende bomen, honingdauw en vocht uit modderige plekken.
  • In sommige Alpengebieden zijn varianten van deze vlinder gevonden met sterk afwijkende oogvlekken en vleugelpatronen.

Gedrag

Vlinder

De vlinder vertoont een opvallend teruggetrokken gedrag en is bijzonder gevoelig voor benadering. Hij vliegt meestal in juni en juli en kiest daarbij halfschaduwrijke bosranden en open plekken in vochtige bossen met een rijke ondergroei. Mannetjes verschijnen eerder dan vrouwtjes en zijn vaak al versleten wanneer de eerste vrouwtjes uitkomen.

Ze vliegen speels rond struiken en bomen met lage takken, terwijl vrouwtjes zich liever stilhouden in het gras, vaak in gebieden met oude bomen en korte vegetatie. De vlinder opent zelden zijn vleugels tijdens het rusten en zit vaak langdurig op bladeren van struiken of bomen. In plaats van nectar te zoeken, drinkt hij liever vocht uit modderige plekken, mest of sap van beschadigde bomen.

Rups

De rups is vooral actief in de avond en nacht, wanneer hij zich voedt met bladeren van grassen. Overdag blijft hij meestal stil en verscholen in de vegetatie, goed gecamoufleerd door zijn groene kleur en strepen. Tijdens het eten zit de rups vaak dicht bij de bladtop, waar hij de bladrand vanaf de zijkant wegknabbelt.

Hij overwintert als halfvolgroeide larve, diep weggedoken in graspolletjes, en hervat zijn activiteit in het voorjaar zodra de temperaturen stijgen. In het wild is hij moeilijk te vinden, maar met een sterke lamp en ervaring zijn ze soms zichtbaar in geschikte habitats zoals vochtige bossen met een dichte ondergroei.

Mobiliteit

De vlinder heeft een beperkte mobiliteit en wordt beschouwd als een honkvaste soort. In Zuid-Zweden is vastgesteld dat mannetjes gemiddeld slechts 45 tot 54 meter verplaatsen tussen vangsten, terwijl vrouwtjes iets mobieler zijn met afstanden van 94 tot 116 meter. Slechts een klein percentage van de individuen verplaatst zich tussen verschillende leefgebieden, zelfs als die minder dan 100 meter uit elkaar liggen.

Vrouwtjes blijken pas te migreren nadat ze het grootste deel van hun eieren hebben afgezet in hun oorspronkelijke leefgebied, wat wijst op een strategie waarbij ze het risico spreiden over meerdere locaties. Mannetjes blijven doorgaans binnen hun geboortegebied en vertonen geen toename in mobiliteit naarmate ze ouder worden.

Deze beperkte verplaatsing maakt de soort kwetsbaar voor versnippering van het leefgebied en benadrukt het belang van goed verbonden bosgebieden voor het behoud van levensvatbare populaties.

Vliegtijd

De vliegtijd valt doorgaans tussen half juni en begin juli, afhankelijk van de lokale klimaatomstandigheden. In Zwitserland en Frankrijk is waargenomen dat de eerste mannetjes al eind mei kunnen verschijnen, terwijl de vrouwtjes vaak pas begin juni uitkomen. In Kroatië is vastgesteld dat de soort één generatie per jaar heeft, waarbij de rupsen overwinteren en de volwassen vlinders in juni actief zijn. De vliegtijd is kort en intens, en buiten deze weken zijn er zelden vlinders te vinden.

Levenscyclus

De levenscyclus van de boszandoog bestaat uit vier opeenvolgende fasen: ei, rups, pop en volwassen vlinder. Elk stadium heeft een eigen uiterlijk en duurt een specifieke periode, afhankelijk van de omgevingstemperatuur en het seizoen.

Eitjes

Het ei is klein, rond en bleekgroen van kleur. Het wordt meestal losjes afgezet op grassen zonder kleefstof, waardoor het eenvoudig van het blad kan vallen. De eifase duurt ongeveer twaalf dagen voordat de larve uitkomt.

Rups

In de zomer en herfst voedt de rups zich gedurende ongeveer 59 dagen met oude bladeren van grassen. Na overwintering hervat hij zijn activiteit in het voorjaar en eet hij dan jonge scheuten gedurende nog eens 34 dagen. De totale rupsenfase duurt dus ongeveer 44 tot 47 weken.

Pop

De popfase duurt tussen de vijftien en twintig dagen, waarin de vlinder zich volledig ontwikkelt.

Vlinder

De volwassen vlinder leeft slechts ongeveer twee weken. In deze korte periode zoekt hij naar voedsel, een partner en geschikte plekken voor de voortplanting.

Bedreiging

De boszandoog wordt beschouwd als een bedreigde soort in grote delen van Europa. Volgens de IUCN is hij geclassificeerd als Near Threatened, wat betekent dat hij dicht bij de grens van bedreiging staat en mogelijk kwetsbaar wordt als de omstandigheden verslechteren.

De populatie vertoont een dalende trend, vooral door verlies en versnippering van geschikt leefgebied. In veel regio’s zijn de bossen te dicht geworden door intensief bosbeheer zonder open plekken, waardoor de ondergroei verdwijnt die essentieel is voor de voortplanting van deze vlinder.

Oude praktijken zoals hakhoutbeheer en begrazing zijn verlaten, wat leidt tot een verdichting van het bos en een afname van de biodiversiteit. In West-Europa is hij al uitgestorven in landen zoals België en Luxemburg, en in Nederland geldt hij als een vage dwaalgast. De soort komt nog voor in beschermde gebieden, maar heeft actief habitatbeheer nodig om te overleven op lange termijn.

Bescherming

De boszandoog is in meerdere landen beschermd door nationale en internationale regelgeving. In Europa is de soort opgenomen in de Habitatrichtlijn van de Europese Unie, wat betekent dat lidstaten verplicht zijn om zijn leefgebied te behouden en te herstellen waar nodig.

In Frankrijk is hij opgenomen op de nationale rode lijst en wordt hij beschouwd als een soort van communautair belang, wat extra bescherming biedt binnen natuurreservaten en bij bosbeheer.

De vlinder komt voor in verschillende beschermde gebieden en wordt actief gemonitord in het kader van biodiversiteitsprogramma’s. Hoewel hij niet onder CITES valt, is hij wel erkend als een soort waarvoor internationale samenwerking nodig is om achteruitgang te voorkomen.

Bronnen

Lopinga achine

Taxonomie

RijkAnimalia
StamGeleedpotigen (Arthropoda)
KlasseInsecten (Insecta)
OrdeVlinders (Lepidoptera)
FamilieNymphalidae (schoenlappers, parelmoervlinders en zandoogjes)
GeslachtLopinga
Synoniemen

Kenmerken

Voorvleugellengte25 mm
Spanwijdte45 mm
WaardplantenDiverse grassen
Vliegperiodeeind juni tot begin augustus
Grootte rups30 mm

Voortplanting

Aantal eitjesVermoedelijk enkele tientallen per vrouwtje
Eifase12 dagen
Rupsfase44-47 weken
Popfase15-20 dagen

Voorkomen in Nederland

StatusIncidenteel/Periodiek
ZeldzaamheidDwaalgast (1 waarneming)
Bescherming
Verspreiding boszandoogvlinder in Nederland, 2000-2025
Verspreidingskaart boszandoog

Verspreiding

NederlandExtreem zeldzaam
WereldEuropa, Azië
BiotoopvoorkeurVochtige, grazige loofbossen met open plekken


Ontdek meer van Fauna & Flora

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Scroll naar boven