Leefgebied

Mondiaal komt de watersnuffel oostelijk voor tot in Mongolië en geheel Siberie. In Afrika komt hij alleen in Marokko voor. In Europa komt hij overal voor, van de Middellandse Zee tot boven de poolcirkel.

In Nederland is hij overal aan te treffen, maar is hij schaars in het noorden van Noord-Holland (uitgezonderd de duinen), het noordoosten van Friesland en het noorden van Groningen.

Habitat

De watersnuffel komt vooral voor op zandgronden bij allerlei stilstaande wateren met relatief veel open water, zoals grote vennen maar ook andere grotere wateren.

De grootste dichtheden zijn te vinden bij voedselarme zure vennen en hoogvenen. Door verzuring van het water neemt de larvale biotoop toe omdat de afbraak van organisch materiaal geremd wordt. Er wordt dan meer organische materiaal op de bodem afgezet. 

In de duinstreek is de soort algemeen bij matig voedselrijk, helder water in waterwingebieden (infiltratieplassen).

Bij andere voedsel- en vegetatierijke wateren is hij zeldzamer, evenals bij zwak stromend water en bij kleine wateren. Ook bij stromend water komt de watersnuffel minder talrijk voor.

In de veenweide- en kleigebieden, komt de watersnuffel bij schone, heldere en matig voedselrijke sloten lokaal in geringe aantallen voor.

Larven leven meestal op of in de modderige bodem en kunnen in zeer hoge dichtheden voorkomen.

Herkenning

De lengte bedraagt 29-36 mm. Ze hebben een kenmerkende borststuktekening: de lichte schouderstreep is minimaal even breed, maar meestal breder dan zwarte schoudernaadstreep die eronder ligt. Bovendien is aan de basis van de tweede zijnaad geen kort streepje aanwezig. Alleen op de eerste zijnaad bevindt zich een dergelijk streepje.

Het mannetje is blauw met een relatief beperkte zwarte tekening op het achterlijf. De tekening op de bovenzijde van segment 2 is variabel, maar meestal in de vorm van een paddenstoel (of ‘atoombommetje’). De segmenten 3, 4 en 5 hebben zwarte vlakjes bij de achterrand, die ongeveer een kwart van de segmentlengte innemen. Segment 6 is ongeveer voor de helft zwart, segment 7 vrijwel geheel. De segmenten 8 en 9 zijn geheel blauw. Sporadisch komen mannetjes voor die een uitgebreidere zwarte tekening hebben.

Het vrouwtje heeft achterlijfsegmenten met brede zwarte torpedovormige figuren. De lichte delen van het borststuk en het achterlijf zijn eenkleurig geel, bruin, groen of blauw. Aan de onderkant van segment 8 steekt een doorntje naar achteren (de vulvaardoorn).

Larve

De larven zijn 20-25 mm lang. De achterlijf aanhangsels, procten, zijn 6-7 mm. De larven zijn vrij klein, met afgeronde procten, vaak met donkere banden (max. drie) ter hoogte van de nodaallijn. Deze nodaallijn is zonder een duidelijke bocht richting de basis van de proct en hooguit licht S-vormig gebogen.

Voedsel

De larven hebben een breed dieet, zodat ze in veel verschillende habitats kunnen leven. Ze kunnen relatief grote prooien eten, maar de prooien zijn doorgaans minder mobiel en daardoor gemakkelijker te vangen

Weetjes

  • Grote aantallen watersnuffels zijn een indicator voor verzuring. 
  • Een vrouwtje kan tot wel 90 minuten onder water blijven, de langste duiktijd ooit geregistreerd voor een libel.

Gedrag

De lange vliegtijd loopt van begin mei tot in oktober met de hoogste aantallen in juni, juli en augustus.

Mannetjes vliegen in een rechte lijn laag over het water (‘snuffelen’) en gaan regelmatig op uit het water stekende planten zitten.

Mobiliteit

Jonge imago’s zwerven ver uit en zijn goed in staat om nieuwe geschikte plaatsen te koloniseren.  Ze zijn vaak te vinden in bosranden en heidevelden.

Levenscyclus

De broedperiode loopt van eind april en begin september, met het hoogste broedpercentage in juni. Vanaf half mei trekken volwassen vrouwtjes naar het water om zich voort te planten, waar de mannetjes hen al opwachten. Een mannetje slaagt er vaak in om vooraf al een vrouwtje te vangen, zodat het paar als tandem het water bereikt.

Vrouwtjes die alleen zijn worden door de mannetjes gegrepen met de buikaanhangsels aan de prothorax. De buikaanhangsels en de vorm van de prothorax zijn soortspecifiek en sluiten perfect op elkaar aan.

Het paar vliegt dan in een zigzagpatroon verder, achtervolgd door andere mannetjes die tot dan toe geen succes hebben gehad. Ze proberen de tandem uit elkaar te halen om het vrouwtje zelf te kunnen grijpen.

De copulatie vindt plaats zittend in de oevervegetatie en kan tussen de tien en zestig minuten duren. Om dit te doen, vormen de libellen een paringswiel en buigen hun buik naar achteren zodat de paringsorganen elkaar kunnen raken en verankeren.

Eitjes

Na het paren vliegt het paar in tandemvlucht het open wateroppervlak op om eieren te leggen. Ze gaan daar op planten zitten die net boven het wateroppervlak uitsteken, waarna het vrouwtje de eieren met haar legboor in levend of dood plantenweefsel boort en tot wel acht eieren per minuut legt.

Het mannetje blijft aanvankelijk gehecht aan het vrouwtje, dat tijdens het leggen van eieren regelmatig achterwaarts onder water duikt. Zodra het vrouwtje volledig is ondergedompeld, verbreekt het mannetje de verbinding. Het vrouwtje draait zich dan om en blijft met haar kop voorover onder water klimmen terwijl ze de eieren in een onregelmatige zigzaglijn in de waterplanten legt. Ze schakelt regelmatig over op andere planten.

Ze kan tot wel 90 minuten onder water blijven. Dit is de langste duiktijd ooit geregistreerd voor een libel. Het dier wordt beschermd door de fysieke kieuwen, een fijne luchtlaag die de ondergedoken libel omringt en haar in staat stelt om onder water te ademen. Gebruikte zuurstof wordt in de luchtlaag vervangen door diffusie uit het water, terwijl de geproduceerde koolstofdioxide terug diffundeert. Deze luchtuitwisseling kan indien nodig worden vergroot door rolbewegingen om de lengteas van het lichaam.

Onder water zijn de vrouwtjes kwetsbaar voor roofdieren, maar lopen ze ook gevaar dat ze vastgehouden worden door de oppervlaktespanning van het water zodat ze niet meer omhoog kunnen vliegen. Vrouwtjes proberen daarom tijdens een duik zoveel mogelijk eitjes te leggen.

Het mannetje wacht meestal op de terugkeer van zijn partner aan het wateroppervlak in een poging om paring met een ander mannetje te voorkomen. Nadat het vrouwtje tevoorschijn is gekomen, koppelen ze weer aan om naar een andere legplaats te gaan.

Lukt het niet om het vrouwtje uit het water te trekken dan trekt het mannetje zijn partner door het water, ondersteund door het wapperen van zijn voorvleugels. De snelheid die op deze manier wordt bereikt, kan oplopen tot tien centimeter per seconde.

Soms verlaat het mannetje het vrouwtje direct na het onderduiken om met een ander vrouwtje te proberen te paren. Als het weer tevoorschijn komende vrouwtje dan niet zelfstandig uit het water kan komen vestigt ze de aandacht op zichzelf met karakteristieke buikbewegingen, totdat ze meestal na korte tijd gevonden wordt door één van de andere mannetjes die grote getalen in de buurt vliegen.

Larven

De larven komen twee tot drie weken na het leggen van de eieren uit. Ze ondergaan tien tot twaalf vervellingen voordat ze imago worden, in Midden-Europa meestal binnen een jaar. Op koele berglocaties kan de ontwikkeling tot vier jaar duren. De larve overwintert in één van de laatste stadia van de rui. Ze kunnen één, soms twee keer overwinteren.

Het uitsluipen gebeurt gedurende een lange periode: begin mei tot half september. Larvenhuidjes zijn vaak lichtbruin en bijna doorzichtig.

Predatie

De larven worden belaagd door vissen en larven die groter zijn dan zij.

Bescherming

De soort staat op de Rode Lijst van de IUCN als niet bedreigd, beoordelingsjaar 2007. Op de Nederlandse Rode lijst (libellen) van 2004 en 2015 komt de watersnuffel niet voor.

Bronnen

Enallagma cyathigerum

Taxonomie

Rijk Animalia
Stam Geleedpotigen (Arthropoda)
Klasse Insecten (Insecta)
Orde Odonata (Libellen)
Familie Coenagrionidae (Waterjuffers)
Geslacht Enallagma (Watersnuffels)
Synoniemen

Kenmerken

Lengte 29-36 mm
Spanwijdte 38 mm
Vliegperiode Mei-oktober
Grootte larve 20-25 mm

Voortplanting

Aantal eitjes
Grootte eitjes
Uitkomen eitjes Na 2-3 weken
Ontwikkeling larven 1-4 jaar
Vervellingen larven 12 vervellingen
Uitsluipen Begin mei tot oktober

Voorkomen in Nederland

Status Niet bedreigd
Zeldzaamheid Zeer algemeen
Bescherming
verspreidingskaart watersnuffelVerspreidingskaart watersnuffel

Verspreiding

Nederland Overal, schaars in noorden van Noord-Holland (uitgezonderd de duinen)
Europa Heel Europa, van de Middellandse Zee tot boven de poolcirkel
Wereld Oostelijk tot in Mongolië en geheel Siberië. In Afrika alleen in Marokko
Biotoopvoorkeur Vooral in voedselarme, zure vennen en hoogvenen

Zoeken

Taxonomie