Leefgebied

Grote aantallen scholeksters zijn te vinden in het Waddengebied en in de Delta. In de broedtijd zijn ze in bijna heel Nederland te zien. Vooral in boerenland en steeds vaker ook in de stad.

Buiten broedtijd

In het binnenland broedende scholeksters zijn doorgaans afwezig in het winterhalfjaar. Ze overwinteren in het Wadden- en Deltagebied, samen met op die plaats broedende scholeksters, of trekken weg naar Zuidwest-Europa (jonge vogels). Onder de overwinteraars in Nederland vallen veel slachtoffers bij lang aanhoudende strenge vorst. Dan kan ook massale vorsttrek optreden.

De landelijk getelde aantallen nemen vanaf ongeveer 1985 af. Voedselgebrek treedt op door overbevissing van mosselbanken (Waddengebied) en het verdwijnen of ongeschikt worden van droogvallende platen (Deltagebied).

Broedtijd

Scholeksters broeden in natuurgebieden, boerenland en bebouwing en ontbreken alleen in bosrijke streken en kleinschalig cultuurlandschap. De verreweg hoogste dichtheden huizen in het westen en noorden van het land, vooral op kwelders, maar meer regionaal ook in open polders met een afwisseling van gras- en bouwland.

De scholekster breidde zijn broedgebied in de twintigste eeuw sterk uit richting binnenland. Sinds ongeveer 1985 nemen de aantallen sterk af. De oorzaken daarvoor liggen zowel in de broedtijd als de winter. Broedvogels brengen vooral in het intensief gebruikte boerenland te weinig jongen groot, terwijl overwinteraars kampen met voedselgebrek.

In Europa

In Europa komen scholeksters vooral voor in de kustgebieden van Noordwest-Europa, maar ook in het Middellandse Zeegebied leven scholeksters.

Habitat

Het leefgebied van de scholekster bestaat uit natuurgebieden, boerenland en bebouwing. Ze ontbreken alleen in bosrijke streken en kleinschalig cultuurlandschap. 

Herkenning

De scholekster is een zwart-witte, stevige steltloper met een oranjerode snavel die 8-9 cm lang is, en roze poten. Rondom de ogen heeft hij een oranje ring. Het verenkleed is bij beide geslachten gelijk.

De lichaamslengte bedraagt 40 tot 45 cm en het gewicht 400 tot 800 gram. Het is een trekvogel.  In de vlucht zijn opvallende witte vleugelstrepen en een zwart-witte staart te zien.  De  spanwijdte is 80-85 cm.

De snavelvorm varieert. Scholeksters met brede snavelpunten openen weekdieren door ze uit elkaar te wrikken of door op de schaal te hameren, terwijl vogels met spitsere snavels wormen opgraven. Veel hiervan is te wijten aan de slijtage als gevolg van het eten van de prooi. Individuele vogels specialiseren zich in de ene of de andere techniek die ze van hun ouders leren.

Jonge vogels zijn bruiner, hebben een witte halsband en een doffere snavel.

Er zijn drie ondersoorten van de scholekster beschreven:

  • H. o. ostralegus met een verspreiding in Europa en in het westen van Rusland.
  • H. o. longipes in het oosten en zuiden van Rusland.
  • H. o. osculans in het oosten van Azië.

Een vierde ondersoort, H. o. finschi uit Nieuw-Zeeland, wordt meestal als een aparte soort gezien.

Geluid

Ze zijn luidruchtig. Het geluid dat ze maken is schel, hoog en vérdragend. Ze roepen schel "(te-)piet!".

Weetjes

  • De vogel doet zijn naam nog steeds eer aan, aangezien weinig of geen andere waadvogels in staat zijn om oesters te openen.
  • De scholekster staat ook wel bekend als 'bonte piet' en wordt in Friesland 'strânljip' (strandkievit) genoemd.
  • (Oude) volksnamen van de scholekster zijn 'kliet', 'oestervisscher' (Groningen), 'lieuw' (Friesland en Texel) en 'zeekiewiet' (Amsterdam).
  • Scholeksters broeden niet alleen meer op (grind)stranden of weilanden, maar soms ook op grinddaken. 

Voedsel

Kustbroedvogels en overwinterende scholeksters eten vooral schelpdieren (nonnetjes, mossels, kokkels) maar ook wormen (zeepieren), krabben en garnalen. Op graslanden eten ze vooral regenwormen, emelten, insecten e.d. De scholekster zoekt voedsel op de tast en op het oog. Hij gebruikt diverse technieken om schelpdieren open te krijgen. Dit kan verschillen per individu, locatie, leeftijd en geslacht.

Gedrag

Scholeksters zijn bijzonder gehecht aan hun territorium, zo zeer zelfs dat ze de broedplek trouw blijven als deze door veranderde omstandigheden minder gunstig is geworden. De beste broedplekken worden bezet gehouden door reeds succesvolle paren. Daarbij komt dat scholeksters makkelijk 30 jaar oud kunnen worden; in Nederland werd een exemplaar aangetroffen van 46 jaar oud.

Jonge scholeksters (ook wel floaters genoemd) hebben twee mogelijkheden: genoegen nemen met een kwalitatief minder goed territorium of wachten met broeden tot er een goed territorium vrijkomt. Een goed territorium (een hokkerterritorium) ligt nabij de voedselbronnen op het wad, een slecht territorium (een wipperterritorium) ligt daar verder vanaf. Aangenomen werd dat beide strategieën gedurende een scholeksterleven evenveel jongen zouden opleveren: een keuze tussen vroeg beginnen en jaarlijks weinig jongen grootbrengen of later beginnen, maar dan wel een hoog jaarlijks broedsucces hebben. Deze veronderstelling bleek onjuist: een hokkerterritorium bleek gemiddeld 0,65 jongen per jaar op te leveren en een wipperterritorium 0,2 jongen per jaar, terwijl de hokkers niet later in hun leven met broeden bleken te beginnen. Omdat zij veel meer moeite moeten doen om het voedsel voor de jongen bij hun ongunstig gelegen nestplaats te krijgen, brengen de wippers in hun leven minder jongen groot.

Ook bleek dat jonge scholeksters de sociale status van hun ouders meekrijgen. Jongen die door hokkers worden grootgebracht veroveren vaak ook weer een hokkerterritorium, terwijl door wippers grootgebrachte jongen daar zelden in slagen. Bij het veroveren van een hokkerterritorium bleek de mate waarin de veroveraar bekend was met de omgeving van belang. Indien territoria kunstmatig werden leeggemaakt - door de "eigenaars" te verwijderen - bleek dat 80% van de op deze wijze vrijgekomen territoria werden bezet door vogels die reeds bekend waren met het gebied. De floaters maakten zich met het terrein bekend door regelmatig de betreffende territoria binnen te dringen.

Jonge scholeksters die nog niet broeden verzamelen zich in het voorjaar in groepen, zogenaamde scholekstersozen. In het binnenland houden ook broedende vogels zich in het begin van het broedseizoen enige tijd op in dergelijke sozen. Wat precies de functie is van de sozen, is niet bekend.

Vogeltrek

Scholeksters overwinteren in het Wadden- en Deltagebied, of trekken weg naar Zuidwest-Europa (jonge vogels). Scandinavische vogels vliegen nog verder, naar Afrika. Onder de overwinteraars in Nederland vallen veel slachtoffers bij lang aanhoudende strenge vorst. Dan kan ook massale vorsttrek optreden. In de periode februari-maart worden de broedplaatsen in het binnenland weer bezet.

Voortplanting

Scholekster zijn territoriaal. Ze laten een opvallende baltsvlucht met langzame vleugelslagen zien. Het nest is niet meer dan een kuiltje in de grond, spaarzaam bekleed met wat schelpjes, steentjes of stro. Ze broeden ook op grinddaken en op paaltjes.

De broedperiode loopt van half april tot eind juni. Ze krijgen één broedsel per jaar met 3-4 eieren. De broedduur bedraagt 24-27 dagen. De jongen zijn nestvlieders en zijn vliegvlug na 32-35 dagen. De jongen worden lang gevoerd door ouders.

Aankomstfase (februari - maart)

Scholeksters brengen de winter door aan de kust van Waddenzee of Zeeuwse Delta. Vanaf februari trekken ze het binnenland in. Ze komen eerst samen op verzamelplaatsen, vaak plas-drassen van liefst enkele hectares groot, rivier- en kanaaloevers en zandwinplassen.
Vandaaruit maken ze uitstapjes naar hun toekomstige, vaak al bekende broedlocatie. Ze zoeken vochtige graslanden op, waar de wormen goed bereikbaar zijn voor de lange snavel.

Vestigings- en nestfase (maart-april)

Scholeksters broeden graag in vochtig, kruidenrijk grasland, in kort begraasde weilanden en op bouwland. Voorafgaand aan het jaar van vestiging inspecteren scholeksters potentiële broedgebieden door in de broedtijd verschillende gebieden te bezoeken. Scholeksters broeden pas op 3 à 4-jarige leeftijd. Dan vestigen ze zich op een geschikte locatie. Ze zijn vervolgens erg plaatstrouw.

Broedfase (mei - juli)

De scholekster legt zijn 3-4 eieren in een ondiep kuiltje. Na ongeveer 25 dagen komen de eieren uit.
De kans op nestsucces is het grootst als er niet wordt gemaaid en er weinig kans is op grondbewerkingen, vertrapping, verstoring en predatie.

Kuikenfase (mei - juli)

De kuikens blijven na uitkomst nog 1-3 dagen in het nest. Ze worden in de kuikentijd en zelfs daarna gevoerd door de ouders, met wormen en insecten (larven). Na 3 weken beginnen de kuikens zelf met voedsel zoeken. Bij voldoende voedsel en veiligheid blijven ze vlak bij de nestlocatie.

Het beste voor scholeksterkuikens zijn kruidenrijke graslanden: (half) lang gras met een open structuur. Het structuurrijke gras geeft veel dekking aan de kuikens. Ze foerageren zowel op kruidenrijk grasland als op percelen met een korte vegetatie. Als de rest van het perceel wordt gemaaid, bezoeken ze ook structuurrijke(re) graslandranden.

Ook gaan de kuikens met hun ouders mee naar beweid grasland (ongeacht de beweidingsintensiteit). Beweiding, in combinatie met gevarieerde bemesting, zorgt voor afwisseling van korte en langere vegetaties: genoeg prooidieren, maar tegelijk dekking. Het is echter onbekend of de kuikens hier voldoende groeien en vliegvlug worden.

Ook zijn kuikens te vinden op bouwland (incl. maïsland), op stalvoederpercelen of op gemaaid grasland (hergroei). Het is ook hier niet bekend of ze voldoende groeien en vliegvlug worden.

Na het broedseizoen (juni - augustus)

Na het broedseizoen trekken de volwassen en jonge vogels meteen naar de kust van Waddenzee en Zeeuwse Delta.

Predatie

De scholekster is bekend vanwege zijn verdediging van het nest. Wanneer een roofdier het nest nadert, doet de scholekster zich voor alsof hij kreupel is om de belagers van het nest weg te lokken. Eenmaal op enige afstand van het nest vliegt hij weg.

Nesten en kuikens van scholeksters zijn zeer kwetsbaar voor predatie, ondanks de agressieve manier waarop de oudervogels potentiële predatoren proberen te verjagen.  Predatoren zijn zwarte kraaien, eksters, zilvermeeuwen en vossen.

Bescherming

De scholekster is beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming. Voor deze soort zijn in Nederland Natura 2000-gebieden aangewezen als niet-broedvogel.

De staat van instandhouding van de scholekster zowel als broedvogel als niet-broedvogel in Nederland is zeer ongunstig.

Rode lijst

Niet vermeld

Bronnen

Haematopus ostralegus

Taxonomie

Rijk Animalia (Dieren)
Stam Chordata (Chordadieren)
Klasse Aves (Vogels)
Orde Charadriiformes (Steltloperachtigen)
Familie Haematopodidae (Scholeksters)
Geslacht Haematopus

Kenmerken

Grootte 40-45 cm
Snavellengte 8-9 cm
Kleur Zwart-wit
Gewicht 400-800 gram 
Vleugelspanwijdte 48 cm
Groep/solitair Groep 
Voeding Schelpdieren, zeepieren, krabben, garnalen, regenwormen, emelten, insecten

Voortplanting

Broedinterval Jaarlijks
Broedperiode Mei-juli  
Aantal eieren 3-4 eieren 
Plaats eieren Nest op de grond
Grootte eieren 3-4 eieren 
Broedtijd 24-27 dagen
Aantal legsels 1 per jaar
Vliegvlug 32-35 dagen
Geslachtsrijp 3-4 jaar
Levensduur 30 jaa 

Voorkomen in Nederland

Status Zeer ongunstig
Aantal broedparen 35.000-43.000 (in 2013-2015)
Aantal overwinteraars 170.000-190.000 (in 2013-2015)
Doortrekkers 180.000-200.000, aug-okt (in 2012-2017)
Bescherming Beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming.
Rode lijst -

Voorkomen wereldwijd

Scholekster wiki Andreas TrepteVerspreiding van de scholekster
groen: het gehele jaar, geel: zomer, blauw: winter
Author: Andreas Trepte
License: CC BY-SA 2.5

 

Zoeken

Taxonomie