Leefgebied

De ringmus komt voor in Europa en Azië van de Atlantische Oceaan tot de Stille Oceaan. In Europa komt hij niet voor in IJsland, delen van Schotland en Ierland, en een groot deel van Scandinavië en Finland. Ook in grote delen van Griekenland en delen van Klein-Azië komt hij niet voor. In Azië daarentegen is hij zeer wijdverbreid en ontbreekt hij alleen in het zuidwesten en in grote delen van het Indiase subcontinent. Het uiterste zuidelijke verspreidingsgebied omvat Noord-Afrika, Iran, Afghanistan, het Maleisische schiereiland en West-Indonesië.

De ringmus is voornamelijk een standvogel, hoewel sommige populaties tijdens de wintermaanden naar het zuiden trekken. De populatiedichtheid neemt daardoor toe in de wintermaanden in Noord-Afrika, Zuid-Europa, Turkije en het noorden van het Indiase subcontinent. Een klein aantal steekt van september tot half november de Straat van Gibraltar over om te overwinteren in Noord-Afrika. De terugvlucht vindt plaats in de periode van maart tot april.

In Midden-Europa is de ringmus een wijdverspreide en frequente broedvogel in de laaglanden. In Afrika is hij relatief zeldzaam als broedvogel. Alleen in Marokko broeden enkele paartjes. In Tunesië worden sinds 1974 jaarlijks vijf tot tien broedparen geteld. In Algerije en Egypte zijn ringmussen slechts zwervers.

De ringmus is in verschillende landen geïntroduceerd. Het is nu een broedvogel in Noord-Amerika, de Canarische Eilanden, westelijk Micronesië, de Filipijnen en Australië.

Ondersoorten

De soort telt negen ondersoorten:

  • P. m. montanus: van Europa via noordelijk en centraal Azië tot noordoostelijk Siberië en noordoostelijk Mongolië.
  • P. m. dybowskii: zuidoostelijk Siberië, noordoostelijk China en noordelijk Korea.
  • P. m. transcaucasicus: van oostelijk Turkije, de Kaukasus tot Armenië en Iran.
  • P. m. kansuensis: het noordelijke deel van Centraal-China.
  • P. m. dilutus: van zuidelijk Kazachstan en oostelijk Iran tot noordwestelijk China en zuidelijk Mongolië.
  • P. m. tibetanus: van Tibet tot centraal China.
  • P. m. saturatus: van Sachalin en de Koerilen en Japan via oostelijk China naar Taiwan en de noordelijke Filipijnen.
  • P. m. hepaticus: noordoostelijk India, zuidoostelijk Tibet en Myanmar.
  • P. m. malaccensis: zuidelijk China, Zuidoost-Azië, Sumatra, Java en de zuidelijke Filipijnen.

Habitat

De ringmus komt vooral voor in kleinschalig cultuurlandschap met bouwland en in dorpen. Vroeger waren ze ook talrijk in bossen en duinen. In een omgeving met veel struikgewas, weilanden met vee en vooral ook oude bomen met enkele holten zijn ringmussen te vinden. Het zijn holenbroeders, die ook profiteren van voor koolmezen opgehangen nestkasten.

Het leefgebied bestaat uit schaars beboste gebieden, bosranden, akkerranden, heggen, lanen, tuinen en de rand van nederzettingen. Met name in West-Europa is de ringmus een minder uitgesproken cultuurvolger dan de huismus. In Duitsland dringt hij echter steeds meer steden en dorpen binnen, waar hij de plek inneemt van de steeds zeldzamer wordende huismus.

Herkenning

De ringmus is tot 14 centimeter lang en weegt 20 tot 24 gram. De vleugellengte ligt tussen 6,8 en 7,4 centimeter bij mannetjes en tussen 6,6 tot 7,1 centimeter bij vrouwtjes. De staart is 4,8 tot 5,8 centimeter bij mannetjes en tussen 5 en 5,6 centimeter bij vrouwtjes. Over het algemeen is er geen opvallend seksueel dimorfisme.

De ringmus is iets soberder getekend dan de huismus en is over het algemeen iets kleiner en slanker. De bovenkant van de kop en de nek zijn bruin, de keel heeft een kleine zwarte keelvlek. De wangen zijn wit met een zwarte vlek rond de oren. De lichte kraag is bijna gesloten in de nek. De bovenzijde van het lichaam is bruinachtig met donkere lengtestrepen, die vooral op de rug en schouders zichtbaar zijn. De stuit is geelbruin, de buik en borst zijn bruingrijs. De vleugels hebben twee witte banden.

De jongen zien er net zo uit als de volwassenen, maar zijn meer grijsbruin op de bovenkant van de kop. De bovenzijde van het lichaam is bleker met grijze lengtestrepen, de wang en keelvlek zijn er nog roetgrijs bij. Ze gaan ongeveer vijf tot acht weken na het uitvliegen door de volledige rui en tonen hun eerste volwassen verenkleed na gemiddeld 77 dagen.

De jongen zijn nadat ze uit het ei zijn gekropen eerst kaal. Ze hebben een roze huid en de keel en tong zijn ook roze. Hun snavels zijn lichtgeel.

Geluid

De zang is een huismusachtig getsjilp. De bekendste roep lijkt een beetje op die van zebravink: een nasaal "tsjep".

Weetjes

Voedsel

Het dieet bestaat voornamelijk uit zaden van grassen, kruiden en granen. Het meeste voedsel wordt van de grond gehaald. Gras- en graanzaden worden echter ook uit aren geplukt terwijl de ringmussen op de stengels neerstrijken. Als alternatief buigen ze de korenaren naar de grond en halen dan de zaden eruit. Ze eten ook af en toe knoppen en bessen en foerageren in menselijk afval. De jongen worden gevoed met insecten.

Gedrag

De ringmus is een gezellige vogel die buiten het broedseizoen zwermen vormt, die uit enkele tot enkele duizenden individuen kunnen bestaan. Deze zwermen zwerven in gebieden tot 100 vierkante kilometer groot. Gedurende deze tijd wordt de ringmus vaak vergezeld door huis- en Spaanse mussen, maar ook vinken en gorzen.

Uitgebreide stofbaden horen bij het typische gedrag van ringmussen. De plek waar ze hun stofbad nemen wordt vaak agressief verdedigd tegen soortgenoten

Voortplanting

Ringmussen zijn overwegend monogame vogels. Een eenmaal aangegane relatie blijft bestaan ​​totdat een van de twee partners sterft. Een paar mannetjes daarentegen zijn polygaam en paren meestal met de vrouwtjes in de buurt van hun nest waarvan de partner is overleden.

Ze broeden heel vaak in losse kolonies, waarbij de grootte van de kolonie grotendeels afhangt van de beschikbare nestlocaties. Het gebied direct rond het nest wordt verdedigd.

Ze broeden in holten van bomen in de buurt van boerderijen, in schuren, onder dakpannen en in nestkasten. Soms nestelen ze aan de zijkant van een ooievaarsnest. Het nest wordt gemaakt van halmen en stengels en bekleed met veren. Beide ouders zijn in gelijke mate betrokken bij het bouwen van het nest. Het nest wordt meestal binnen vijf dagen gebouwd en ze keren elke twee tot zes minuten terug naar de nestplaats met bouwmateriaal.

Het broeden vindt plaats van eind april tot augustus, soms in kolonies. Het legsel bestaat uit drie tot zes fijngevlekte, witte en glanzende eieren. Het wijfje broedt meestal twee- tot viermaal per jaar. De broedduur bedraagt 11-14 dagen. De jongen verlaten na 15-20 dagen het nest.

Bedreiging

De ringmus staat sinds 2004 als gevoelig op de Nederlandse Rode Lijst. Volgens SOVON vertoonde het aantal broedparen in de periode 1990-2007 een grillig verloop en broedden er in 2007 nog ongeveer 100.000 paar. Uit tellingen die buiten de broedtijd werden gedaan bleek een geleidelijke maar significante achteruitgang.

Het aantal ringmussen neemt af doordat de landbouw steeds grootschaliger en intensiever wordt. De graanteelt is vervangen door maïscultuur, daardoor zijn er nog maar weinig stoppelakkers. Heggen en houtwallen, dode bomen en knotwilgen zijn minder algemeen geworden, daardoor is er minder nestgelegenheid. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is niet bevorderlijk voor deze graaneters.

Bescherming

De bescherming van de ringmus is in Nederland geregeld in de Wet natuurbescherming.

Bronnen

Passer montanus

Taxonomie

Rijk Animalia (Dieren)
Stam Chordata (Chordadieren)
Klasse Aves (Vogels)
Orde Passeriformes (Zangvogels)
Familie Passeridae (Mussen)
Geslacht Passer

Kenmerken

Grootte 14 cm
Kleur De bovenkant van de kop en de nek zijn bruin, de keel heeft een kleine zwarte keelvlek. De wangen zijn wit met een zwarte vlek rond de oren. De bovenzijde van het lichaam is bruinachtig met donkere lengtestrepen
Gewicht 20-24 gram
Vleugelspanwijdte maximaal 22 cm
Groep/solitair Groep
Voeding Zaden van grassen, kruiden en granen

Voortplanting

Broedinterval Jaarlijks
Paartijd Voorjaar
Aantal eieren 2-7 eieren
Plaats nest Natuurlijke holtes, in schuren, onder dakpannen en in nestkasten
Grootte eieren 19.3 x 14.0 mm
Broedperiode april - augustus
Broedduur 11-14 dagen
Aantal legsels 2 à 4 legsels
Uitvliegen 15-20 dagen
Geslachtsrijp Minder dan 1 jaar
Levensduur 10 jaar

Voorkomen in Nederland

Aantal broedparen 25.000-38.000 (2018-2020)
Aantal overwinteraars 150.000-300.000 (2013-2015)
Doortrekkers 50.000-200.000 (2008-2012)
Bescherming De bescherming van de ringmus is in Nederland geregeld in de Wet natuurbescherming
Rode lijst IUCN Niet bedreigd (2016)
Nederlandse Rode Lijst Gevoelig (2017)

Voorkomen wereldwijd

Leefgebied ringmusAuthor: SanoAK: Alexander Kürthy,
License: CC BY-SA 4.0
Accessed: 27 April 2023

Zoeken

Taxonomie