Leefgebied

De pyjamazweefvlieg, snorzweefvlieg, dubbelbandzweefvlieg of cocacolazweefvlieg komt in grote delen van Europa voor, maar ook in Noord-Afrika, Noord-Amerika en in Azië. In Nederland en België is de pyjamazweefvlieg algemeen, en komt overal voor waar veel bloemen en bladluizen zijn.

In sommige jaren is de soort, met name in juli-augustus, veel talrijker dan in andere. Dit hangt vermoedelijk samen met het sterke migratiegedrag. Het is echter onduidelijk welk deel van de Nederlandse vliegen in de zomer bestaat uit migranten, welk deel uit nakomelingen van volwassen vrouwtjes die in Nederland hebben overwinterd en welk deel uit nakomelingen van de migranten.

Habitat

De pyjamazweefvlieg leeft zowel in allerlei open gebieden als in bossen, maar de grootste aantallen worden doorgaans in open bloemrijke biotopen gezien. Migrerende dieren duiken op onverwachte plaatsen in groot aantal op, zoals op zee 200 kilometer van het dichtstbijzijnde land.

Herkenning

De wat opmerkelijke Nederlandse namen dankt deze vlieg aan de tekening; een gele basiskleur met een wat complexe, maar regelmatige zwarte strepentekening dwars op het achterlijf. De pyjamazweefvlieg heeft een karakteristiek patroon van zwarte ‘snorretjes’ in de brede oranje banden op het achterlijf. Deze bestaat uit drie zwarte banden met daaronder een vaak onderbroken, dunnere en ietwat V-vormige streep. De bovenste band is meestal versmolten met de driehoekige streep erboven. Ondanks grote variatie in breedte van de banden is hij eenvoudig herkenbaar aan die snorretjes. De variatie in de tekening van het achterlijf wordt in belangrijke mate bepaald door temperatuur tijdens popstadium. 

Het borststuk is zwartbruin en glanzend, en heeft een lichtere, meestal gele 'uitstulping' aan de achterzijde. De ogen zijn rood van kleur en de lengte is 7 tot 12 millimeter.

Voedsel

De pyjamazweefvlieg leeft van nectar en stuifmeel van bloemen en er worden meerdere plantensoorten bezocht.

Gedrag

Mannetjes vertonen zweefgedrag op zowel zonnige als beschaduwde plekken, op hoogten variërend van een halve meter tot in de boomkruinen. Beide seksen bezoeken bloemen zonder duidelijke voorkeur en beide vertonen sterk migratiegedrag.

Migrerende exemplaren kunnen met duizenden tegelijk langs kusten verschijnen. Dat het niet altijd goed afloopt, blijkt uit vondsten van honderden dode exemplaren langs de vloedlijn op het strand. Ook in het binnenland kunnen grote aantallen voorkomen: op treinstation Ede-Wageningen werden eens meer dan 10.000 exemplaren aangetroffen onder een schuine glazen overkapping. De mannetjes sterven voor de winter, maar sommige vrouwtjes overwinteren. Over de overwinteringsplaatsen is nog weinig bekend.

Het is een van de weinige soorten waarvan de volwassen dieren het hele jaar gevonden kunnen worden. In januari en februari duiken hier en daar wat (overwinterende) vrouwtjes op en in het vroege voorjaar zijn deze al vrij gewoon. Mannetjes komen in deze periode niet voor. Na enkele weken, waarin de soort nauwelijks wordt gezien, komen in mei verse mannetjes en vrouwtjes tevoorschijn. Ongeveer tegelijkertijd komen ook de eerste migranten uit het zuiden het land binnen. Vanaf dat moment is de soort tot in de herfst algemeen en volgen diverse overlappende generaties en migratiegolven elkaar in snel tempo op, al zijn er wel pieken in de vliegtijd zichtbaar in de eerste helft van juni en in augustus. Vanaf oktober lopen de aantallen snel terug.

Deze soort is erg populair in de tuinbouw, omdat de larven vraatzuchtige belagers van bladluizen zijn. De larven worden dan ook ingezet bij biologische bestrijding van bladluizen.

Voortplanting

De larven voeden zich met bladluizen op uiteenlopende kruiden, struiken en bomen. Zij kunnen lucht inslikken en zo overstroming overleven (Láska 1999, Schneider 1968). Larven en poppen doorstaan de Midden- en Noord-Europese winters niet. De pop zit doorgaans vastgekleefd aan een plantenblad of -stengel.

Het vrouwtje legt de witte, langwerpige eitjes in een bladluizenkolonie. Afhankelijk van temperatuur en voedselbeschikbaarheid komen de eieren na 2-11 dagen uit. De larve is een platte, kruipende larve die iets weg heeft van een worm, de larve is half-doorzichtig en glimmend. De larvale ontwikkeling 1-3 weken.

Pyjamazweefvlieg larve wiki entomartLarve
Attribution: © entomart
  Pyjamazweefvlieg pop wik entomartiPop
Attribution: © entomart

Het voedsel bestaat uitsluitend uit bladluizen, die worden leeggezogen. De larve is vooral te vinden aan de onderzijde van bladeren, omdat zich hier ook de bladluizen bevinden.

Na enige tijd verpopt de larve, deze pop ziet eruit als een bruine druppel. De popfase duurt 1 tot 4 weken. De snelheid van de ontwikkeling hangt sterk af van de temperatuur; in het noordelijkste deel van het verspreidingsgebied komt slechts een enkele generatie tot ontwikkeling, in het zuiden wel vier of vijf.

Bedreiging

Geen gegevens gevonden.

Bronnen

Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 Unported License

Episyrphus balteatus

Taxonomie

Rijk Animalia
Stam Arthropoda (Geleedpotigen)
Klasse Insecta (Insecten)
Orde Diptera (Tweevleugeligen)
Familie Syrphidae (Zweefvliegen)
Geslacht Episyrphus

Kenmerken

Grootte 7 -12 mm
Voeding Nectar en stuifmeel van bloemen.
Vliegperiode Het hele jaar door.

Voortplanting

Paartijd  
Aantal eitjes Meer dan 1000
Uitkomen eitjes 2 - 11 dagen
Larve ontwikkeling 1 - 3 weken
Popfase 1 - 4 weken

Voorkomen in Nederland

Status  Oorspronkelijk
Zeldzaamheid  Komt zeer algemeen voor
Bescherming  Geen gegevens gevonden

Verspreiding

Nederland In Nederland en België algemeen.
Wereld Grote delen van Europa, Noord-Afrika, Noord-Amerika en in Azië.
Biotoopvoorkeur Allerlei open gebieden als in bossen, open bloemrijke biotopen gezien.

Zoeken