Leefgebied

De Europese lepelaar broedt in Europa, Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Noord-, Centraal- en Oost-Azië. In Europa komen alleen in Nederland, Spanje, Oostenrijk, Hongarije en Griekenland redelijk grote broedkolonies voor. De meeste vogels trekken in de winter naar de tropen waarbij de lepelaars uit Europa naar Afrika trekken. In milde winters zijn er ook lepelaars die achter blijven in de warmere gebieden van Europa.

Habitat

Lepelaars geven de voorkeur aan uitgestrekte, ondiepe, drassige gebieden met een bodem bedekt met modder, klei of fijn zand. Zij kunnen elk type moeras, rivier, meer, overstroomd gebied en mangrove moeras bewonen of het water nu zoet, brak of zout is. Maar om te broeden geven ze de voorkeur aan gebieden met eilanden, dichte begroeiing en verspreid voorkomende bomen of struikgewas.

Herkenning

Met zijn lepelvormige snavel, zijn helderwitte verenkleed en zijn lange poten is de lepelaar een elegante verschijning. De lepelaar heeft een lengte van ongeveer 70-95 cm en weegt ongeveer 1-2 kg.

Deze vogel is onmiddellijk herkenbaar aan de zwarte snavel die aan het einde spatelvormig verbreed is en waarvan het uiteinde geel van kleur is. De vogel is bijna helemaal wit. Hij heeft alleen een oranje-gele keelvlek en een gele vlek op de borst. De poten zijn net als de snavel zwart. De verlengde kopveren vormen een bossige kuif. Bij exemplaren die niet broeden missen de kuif en de gele vlek op de borst.

Jonge vogels hebben een grijze snavel, grijze poten en zwarte punten aan het uiteinde van de slagpennen. De snavel verkleurt wanneer ze 40 dagen oud zijn.

Geluid

Lepelaars zijn tamelijk zwijgzaam, jonge lepelaars hebben een raspende bedelroep. Rond 1970 waren er nog maar 170 broedpaar in ons land, nu zijn er enkele duizenden. De lepelaar heeft zich dan ook spectaculair hersteld. De Nederlandse populatie lepelaars is uniek, in andere landen in Noord-West Europa broeden ze nauwelijks.

Voortbeweging

Lepelaars vliegen met een gestrekte nek.

Voedsel

Het voedsel bestaat in het voorjaar vooral uit zoetwaterprooien (onder meer stekelbaars en amfibieën, grotere aquatische insecten zoals libellenlarven en andere ongewervelden). Ook eet hij wel eens plantendelen.
Buiten het broedseizoen foerageren lepelaars alleen of in kleine groepjes tot 100 vogels.

Er wordt dan vooral gefoerageerd in ondiepe poldersloten, oeverzones en moerassen. In het getijdengebied wordt in voorjaar en zomer ook veel gefoerageerd op zoutwaterprooien (onder meer garnaal, jonge platvis).
Het voedselgebied strekt zich uit tot op 40 km van de broedkolonie. In de nazomer verzamelt de soort zich in de grote wateren met een gunstig voedselaanbod en veilige rustplaatsen, zoals Lauwersmeer, IJsselmeerkust, Oostvaardersplassen en het Wadden- en Deltagebied.

Lepelaars vinden hun voedsel lopend in ondiep water, waar ze hun snavel op typische manier heen en weer bewegen, om zo op de tast allerlei prooidieren te vangen. In de lepelvormige snavel is een soort zeefmembraan aanwezig, waarmee hij door een bundeling van zenuwen over een ultragevoelig eetgereedschap beschikt.

Gedrag

De lepelaars die in West-Europa broeden overwinteren vooral langs de West-Afrikaanse kust, zoals in het tropische waddengebied Banc d'Arguin voor de Mauritaanse kust. In het najaar vliegen de vogels in groepjes tot 100 vogels via Noord- en Zuid-Spanje. In deze gebieden blijven ze een week of twee om op krachten te komen om verder te kunnen trekken. In totaal kan de trektocht wel twee maanden duren. Tijdens de trek naar Afrika gaat ongeveer de helft van de jongen dood door jacht, hoogspanningskabels of uitputting.

Begin februari vertrekken de lepelaars weer uit hun overwinteringsgebieden. De terugreis wordt veel vaker onderbroken. Om voldoende energie te hebben voor de tocht moet ook langs de kust van Marokko en Frankrijk gestopt worden. Eenmaal aangekomen in Nederland zijn o.a. Friesland en Groningen de verzamelplaats. Van daaruit vliegen de vogels door naar hun broedkolonies. Tegenwoordig overwinteren er enkele tientallen lepelaars in Zeeland en Holland.

Europese lepelaars zijn stille vogels. Zelfs in broedkolonies zijn de belangrijkste geluiden wat geklepper van de snavel, af en toe een diep gegrom en soms een trompetterend geluid.

Voortplanting in de natuur

Nederland was tot tien jaar geleden het noordelijkste land in Europa waar lepelaars tot broeden kwamen, vooral in moerassen, rietkragen en andere slecht bereikbare plaatsen. In 2011 werden in Nederland, voornamelijk op de Waddeneilanden, ongeveer 2300 broedpaartjes waargenomen. Inmiddels broedt de soort ook succesvol in Groot-Brittannië, Duitsland en Denemarken. In België is dit een zeldzame vogel. Hij wordt voornamelijk in het Zwin waargenomen. In Vlaanderen broedt de soort anno 2013 op twee plaatsen.

In Spanje broedt de lepelaar overwegend op de grond en in bomen en struiken. In Nederland broedt de lepelaar vooral op de grond in het riet. Dit biedt de vos kansen, vooral in droge perioden. In het rivierengebied worden ze steeds vaker broedend in bomen waargenomen.

Het broedseizoen loopt van eind maart tot eind juli. In tropische gebieden valt het broedseizoen meestal samen met het regenseizoen. De broedkolonies bestaan meestal uit vogels van dezelfde soort of uit gemengde kolonies met andere watervogels zoals reigers, zilverreigers en aalscholvers.

Lepelaars broeden bij voorkeur in gebieden buiten het bereik van roofdieren maar binnen 10-15 kilometer van hun foerageergebied. Het nest wordt gemaakt van stokken, biezen, waterplanten en gras en wordt ofwel op eilanden op de grond gebouwd of in dicht riet of in struiken. Zelfs worden nesten in loofbomen gemaakt tot 5 m boven de grond. In broedkolonies liggen de nesten meestal 1 tot 2 meter uit elkaar.
Het legsel bestaat uit drie tot vijf dofwitte eieren met bruine vlekken. De broedtijd 24-25 dagen. Van de kuikens wordt er meestal maar één groot. Na 3 tot 4 jaar zijn de vogels geslachtsrijp.

Predatie

In Nederland is de vos zijn natuurlijke vijand.

Bedreiging

De belangrijkste bedreiging is de aantasting van het leefgebied door drainage en vervuiling. Vooral het verdwijnen van moerassen en het aanleggen van waterkrachtcentrales is hierop van invloed. Ook overbevissing en verstoring van het leefgebied vormt een bedreiging. Bovendien is de soort gevoelig voor vogelgriep.

Bescherming

De lepelaar is één van de beschermingssuccessen van Vogelbescherming. Rond 1970 waren er nog maar 170 broedparen in ons land, nu ruim 2.500.

De Nederlandse populatie lepelaars is uniek, in andere landen in Noordwest-Europa broeden ze nauwelijks. Lepelaars bevinden zich van februari tot september/oktober in Nederland. Via Franse en Spaanse moerassen trekken ze naar winterkwartieren langs de West-Afrikaanse kust (vooral Banc d'Arguin).

Lepelaars broeden in moerassige gebieden, dichte rietkragen of moeilijk bereikbare bomen en struiken, maar ook op kwelders.

Bronnen

Platalea leucorodia

Taxonomie

Rijk Animalia (Dieren)
Stam Chordata (Chordadieren)
Klasse Aves (Vogels)
Orde Pelecaniformes (Roeipotigen)
Familie Threskiornithidae (Ibissen en lepelaars)
Geslacht Platalea

Kenmerken

Grootte 70-95 cm
Snavellengte
Kleur Wit, zwarte snavel
Gewicht 1-2 kg
Vleugelspanwijdte 115-135 cm
Groep/solitair Groep
Voeding zoetwaterprooien (stekelbaars en amfibieën, grotere aquatische insecten zoals libellenlarven en andere ongewervelden), soms plantendelen

Voortplanting

Broedinterval Jaarlijks
Paartijd Maart-juli
Aantal eieren 3-4 eieren
Plaats eieren Op eilanden, in riet of in loofbomen
Grootte eieren
Broedduur 24-25 dagen
Aantal legsels 1 per jaar
Vliegvlug 7 weken
Geslachtsrijp 3-4 jaar
Levensduur 28 jaar

Voorkomen in Nederland

Aantal broedparen 3400-3500 (in 2020)
Aantal overwinteraars 80-180 (in 2013-2015)
Doortrekkers 7200-9200, aug-sep (in 2012-2017)
Bescherming
Rode lijst -
Sovon Vogelonderzoek Nederland

Voorkomen Wereldwijd

Leefgebied europese lepelaarBirdLife International 2012. Platalea leucorodia. The IUCN Red List of Threatened Species. Version 2014.2. Accessed on 07 November 2014.

Zoeken