Leefgebied

Koolmezen zijn zeer talrijk. De ondersoort Parus major major heeft het grootste verspreidingsgebied, dat onder andere heel Europa omvat, op de noordelijkste rand en IJsland na. Verder leeft deze ondersoort in een honderden kilometers brede strook door heel Rusland, tot de Zee van Ochotsk in het Noord-Pacifisch gebied aan toe. Ook in een strook van Noord-Afrika, aansluitend op Gibraltar en Italië, leeft deze ondersoort.

In Europa komt de koolmees het gehele jaar voor in bossen, parken en tuinen. Het is meestal een standvogel, maar in sommige jaren kunnen groepen uit het noordoosten van Europa naar het midden en westen van Europa trekken. Koolmezen kunnen echter wel zeer territoriaal zijn waardoor ze een jaar, of zelfs hun gehele leven hun territorium verdedigen tegen soortgenoten.

Habitat

Koolmezen worden het meest aangetroffen in open loofbossen, gemengde bossen, bosranden en tuinen. In dichte bossen, waaronder naaldbossen, geeft hij de voorkeur aan open plekken. In Noord-Siberië leeft hij in boreale taiga. In Noord-Afrika leeft hij eerder in eikenbossen, evenals in Atlasceders en zelfs in palmbossen. In het oosten van zijn verspreidingsgebied in Siberië, Mongolië en China geeft hij de voorkeur aan rivierwilgen- en berkenbossen.

De koolmees is over het algemeen een standvogel. Paartjes blijven meestal het hele jaar door in de buurt van of in hun territorium, zelfs in de noordelijke delen van hun verspreidingsgebied. Jonge vogels verlaten het territorium van hun ouders, maar gaan meestal niet ver weg.

Populaties kunnen in slechte of strenge winters gaan trekken, wat betekent dat groepen van maximaal duizend vogels kunnen verhuizen van Noord-Europa naar de Oostzee en ook naar Nederland, Groot-Brittannië en zelfs tot aan de zuidelijke Balkan.

Herkenning

De koolmees is groot voor een mees met een lengte van 12,5 tot 14,0 cm lang en een gewicht van 14 tot 22 gram. Hij heeft een onderscheidend uiterlijk waardoor hij gemakkelijk te herkennen is zoals een glanzend zwart kruin, een zwarte nek, keel, en kop. Hij heeft grote witte wangvlekken en oordekveren. De borst is helder geel met daarop overlangs een zwarte band. Er zit een doffe witte vlek op de nek die overgaat in mosgroen op de bovenkant van de nek. De rest van de nek en rug zijn olijfgroen. De snavel is 11,5 tot 13,5 mm lang, sterk en zwartachtig, hoornkleurig met iets lichtere randen. De iris is levendig rood- tot zwartbruin. De poten en voeten zijn blauw- tot leigrijs.

De vleugellengte bedraagt bij mannetjes 71 tot 82 mm en bij vrouwtjes 69 tot 81 mm. De vleugeldekveren zijn groen en de rest van de vleugel is blauwgrijs met een witte vleugelstreep.

De staart is blauwgrijs met een lengte van 69 tot 66 mm bij mannetjes en 55 tot 63 mm bij vrouwtjes.

Het verenkleed van het vrouwtje is vergelijkbaar met dat van het mannetje, behalve dat de kleuren over het algemeen doffer zijn. De band die over de buik loopt is minder intens zwart, ook smaller en soms onderbroken.

Jonge vogels zien er net zo uit als het vrouwtje, behalve dat ze een doffe olijfbruine nek en een grijzere staart met minder wit hebben.

Weetjes

  • De koolmees werd tevergeefs geïntroduceerd in de Verenigde Staten. Vogels werden tussen 1872 en 1874 in de buurt van Cincinnati, Ohio vrijgelaten, maar konden zich niet vestigen.
  • Koolmezen overleven zeer koude nachten door hun lichaamstemperatuur te verlagen van de gebruikelijke 41,8 ° C naar 32 ° C en dus door weinig energie te gebruiken. 

Voedsel

Koolmezen zijn 's zomers voornamelijk insecteneters die insecten en spinnen eten die ze vangen in het gebladerte. Grotere ongewervelde prooien zijn onder meer kakkerlakken, sprinkhanen en krekels, gaasvliegen, oorwormen, insecten, mieren, vliegen, kokerjuffers, kevers, schorpioenvliegen, hooiwagens, bijen, wespen, slakken en pissebedden. Tijdens het broedseizoen voeren koolmezen hun jongen het liefst met eiwitrijke rupsen. Nestvogels krijgen in hun vroege ontwikkeling ook een aantal spinnen te eten.

In de herfst en winter, wanneer insecten schaarser zijn, eten koolmezen ook bessen en zaden. Zaden en vruchten komen meestal van loofbomen en struiken, zoals bijvoorbeeld de zaden van beuken en hazelaars. Indien beschikbaar, eten ze ook pinda's en zonnebloempitten van voedertafels. In bijzonder strenge winters kunnen ze 44% van hun lichaamsgewicht aan zonnebloempitten eten. Ze foerageren vaak op de grond, vooral in jaren met een hoge productie van zaden van beuken.

Grote zaden en prooien worden met één of beide poten vastgehouden en vervolgens met de snavel stuk gehakt totdat ze ze kunnen opeten. Op deze manier kan een koolmees in ongeveer twintig minuten een hazelnoot openen.

Bij het voeren van jongen zullen volwassenen de koppen van grote insecten eraf halen om ze gemakkelijker te kunnen eten. Van rupsen worden de darm verwijderen, zodat de tannine in deze darm de groei van het kuiken niet zal vertragen.

Gedrag

Koolmezen gedragen zich meestal heel opvallend en zijn niet schuw. Ze bewegen zich meestal huppend en klimmend op takken of op de grond. Dit wordt vaak ondersteund door het uitslaan van de vleugels. Minder dan andere mezen kunnen ze korte tijd ondersteboven aan takken hangen. Ze kunnen ook, net als een boomklever, ondersteboven aan een stam naar beneden klimmen.

Door de relatief korte, ronde vleugels en de lange stuurveren kunnen ze wendbaar en snel door de takken van bomen of ondergroei vliegen. Ze vliegen meestal slechts terughoudend over open terrein in een vrij langzame, boogvormige vlucht.

Koolmezen zijn dagactieve vogels die het hele jaar door het meest actief zijn in de vroege ochtenduren. Buiten het broedseizoen is er ook 's avonds een tweede activiteitspiek. Het zingen begint kort na de zonsopkomst en bereikt het hoogtepunt ongeveer een kwartier tot een half uur later.

In de wintermaanden, en soms ook na de rui, brengen koolmezen de nacht door in holtes of nestkasten. Ze slapen erg diep, waarbij ze gehurkt op de grond of ineengedoken tegen de wand van een nestkast zitten, met ingetrokken nek en de kop naar boven. Vanaf het voorjaar neemt de neiging om in nestkasten te slapen af.

Predatie

Jonge koolmezen worden gegeten door gaaien, spechten en eksters. Daarom zorgen de ouders ervoor dat die vogels de poep van de jongen niet kunnen ruiken door deze poep te verwijderen. 

Voortplanting

Koolmezen worden tegen het einde van het eerste levensjaar geslachtsrijp. Maar niet alle eenjarigen broeden. Omdat het aandeel mannetjes in de meeste populaties overheerst, kunnen vooral jonge mannetjes vaak geen partner vinden. Er is echter ook sprake van een toenemend aandeel niet-broedende koolmezen onder meerjarige vogels.

Koolmezen zijn seizoensbroeders. Het tijdstip van het broeden varieert door een aantal factoren, vooral de locatie. Het broeden vindt plaats tussen januari en september. In Europa begint het broedseizoen meestal na maart. In Frankrijk, Tsjechië, de Benelux-landen en Zuid-Duitsland valt de belangrijkste legperiode in de tweede helft van april, in Engeland, Midden- en Noord-Duitsland tussen de derde week van april en het eerste week van mei, en in Fennoscandinavië en Rusland tussen eind april en half mei. In Israël zijn er uitzonderlijke broedresultaten in de maanden oktober tot december

De hoeveelheid zonlicht en de dagtemperaturen zijn ook van invloed op het moment van broeden. Eén studie vond een sterke relatie tussen het moment van het broeden en een piek in de overvloed van rupsen, wat op zich weer afhangt van de temperatuur. Op individueel niveau beginnen jongere vrouwtjes later te broeden dan oudere vrouwtjes.

Koolmezen zijn monogaam. In gevallen waarbij er van een tweede legsel sprake is met een andere partner, is dit meestal te wijten aan de dood van de vorige partner. Vanwege de hoge mate van trouw aan de locatie is er in meerdere opeenvolgende jaren sprake van paringen met dezelfde partner en zijn langdurige permanente relaties vastgesteld. Buiten het broedseizoen is er echter nauwelijks samenhang tussen partners.

Twee legsel per jaar zijn niet ongewoonlijk. In Zuid-Engeland komen er twee legsel per jaar voor in naald- en gemengde bossen. In eikenbossen, waar vroeg in het jaar een overaanbod aan insectenvoer is, maar later een tekort, broedt de soort meestal maar één keer per jaar. Drie broedsels per jaar komen ook voor, maar zijn zeldzaam. In Israël komen bij uitzondering broedsels voor in de wintermaanden.

{tab=Balts}

Paarvorming en balts

De paarvorming en de balts vinden in Midden-Europa plaats vanaf februari of maart, maar bij slecht weer pas in april. Aanvankelijk gedragen mannetjes zich agressief tegenover vrouwtjes, maar dit wordt minder als de vrouwtjes er niet net zo op reageren als de mannetjes dat doen. Onderdeel van het balts is het inspecteren van eventuele nesten, wat ook in de loop van de winter kan plaatsvinden. Het mannetje vliegt opvallend naar de nestopening en pikt rond de rand.

Tijdens de paartijd is de relatie van het paartje vrij hecht. Het mannetje wordt heel vroeg in de ochtend actief en haalt het vrouwtje op van haar slaapplaats. Dit gebeurt onder andere om paring met andere mannetjes te voorkomen. Deze buitenechtelijke paringen zijn niet ongewoon, aangezien tot 34% van de broedsels nakomelingen heeft van andere vaders.

De paring vindt meestal plaats in de vroege ochtenduren tussen dichte takken in de buurt van de broedplek. De paring kan door beide partners worden begonnen. Om dit te doen, nemen ze een gehurkte positie in met de kop achterover en de staart omhoog waarbij ze trillen met de ietwat gespreide vleugels en typische geluiden maken. Met korte pauzes neemt de opwinding toe totdat de paring heeft plaatsgevonden, waarna de partners meestal wat verder van elkaar vandaan vliegen.

Kort voordat de eerste eieren worden gelegd, begint het baltsvoeren, waarbij het vrouwtje door het mannetje van voedsel wordt voorzien. Dit gedrag neemt sterk toe in de tijd van het leggen van de eieren.

{tab=Nest}

Nest

De broedplaats wordt door het vrouwtje bepaald uit een voorselectie door het mannetje. Vaak zijn dit boomholten, maar soms ook diepe spleten tussen de schors tussen 3 en 6 m boven de grond. Wanneer er sterke concurrentie is van superieure soorten zoals spreeuwen, kiezen koolmezen vaak een hoogte uit van minder dan 3,5 m. Als er geen competitie is, worden ook boomholten tot ongeveer 15 m of meer boven de grond uitgekozen. In rottend hout kan de koolmees ook zelf een nest hakken of vergroten. Als er een voldoende voorraad aan nestkasten is, krijgen deze vaak de voorkeur. Soms worden nesten van andere vogels, holen, muurnissen of talloze andere soorten holten of menselijke constructies als broedplaatsen gebruikt.

Het nest wordt bijna uitsluitend door het vrouwtje gebouwd. De bouwtijd kan heel verschillend zijn. Bij vroege eerste broedsels kan het een maand duren, bij latere broedsels wordt dit teruggebracht tot ongeveer één tot twee weken. Voor vervangende of tweede broedsels hebben ze soms maar 1-2 dagen nodig.

De grootte van het nest varieert afhankelijk van de grootte van de holte. Bijzonder diepe holtes worden gevuld met een dikke laag mos. Verder worden wortels, grassprieten, dennennaalden of korstmossen gebruikt. In deze holte wordt een nest met een diameter van 4,5 - 7,5 cm en diepte van 3,5 - 7 cm gebouwd welke bekleed wordt met dierenharen, veren, stengels van basten of ander fijn materiaal.

{tab=Broeden}

Broeden

Het legsel bestaat meestal uit 6-12, soms 3-15 ronde ovale eieren van 17,5 x 13,5 mm. De eieren zijn licht glanzend, en steenrood tot roodbruin gevlekt of gespikkeld op een witte achtergrond.

De eieren worden meestal om de 24 uur, vroeg in de ochtend gelegd. Bij langdurige koude periodes kan het leggen van de eieren tijdelijk worden onderbroken. Het legsel wordt alleen uitgebroed door het vrouwtje, dat gedurende deze tijd door het mannetje wordt gevoed.

Vanaf het leggen van het eerste ei brengt het vrouwtje de nacht door op het nest. Om de jongen zo veel mogelijk gelijktijdig uit te laten komen, wordt het onvolledige legsel pas aan het begin van de nacht opgewarmd, waardoor deze niet te veel afkoelt. Het vrouwtje brengt de nacht dan staand boven de eieren door, zodat de voor embryonale ontwikkeling vereiste minimumtemperatuur van 25°C niet wordt bereikt. Later neemt de broedtijd per nacht toe, maar het legsel wordt meestal pas permanent uitgebroed als de laatste eieren zijn gelegd.

De incubatietijd duurt, afhankelijk van de geografische locatie, 10 tot 17 dagen. In Centraal-Europa is dit meestal 12 tot 15 dagen. Bij een tweede legsel is de incubatietijd meestal korter.

Als het vrouwtje wordt gestoord op het nest, neemt ze een kenmerkende verdedigende houding aan, waarbij ze de staart opengespreidt en met de vleugels tegen de wand van de nestruimte klappert. Ze maakt een sissend geluid en zet de veren op van de witte vlekken op de wangen. Aan het einde van het sissende geluid klinkt het dichtklappen van de snavel en een gedempt geluid wat wordt geproduceerd door het slaan van de vleugels. Vermoedelijk dient dit gedrag om roofdieren af ​​te schrikken en moet dit de aanwezigheid van een slang voorstellen.

{tab=Jongen}

Jongen

De jongen komen meestal verdeeld over 1 tot 5 dagen uit. De volgorde van het uitkomen van de eerste eieren kan afwijken van de volgorde van het leggen, maar bij de middelste tot laatste eieren is deze bijna altijd hetzelfde.

Er worden bijna alleen individuele stukken prooi gevoerd, maar die zijn meestal vrij groot. Ze worden vaak in de keel van de jongen gestoken en er meerdere keren uit gehaald totdat gegarandeerd is dat de houding optimaal is en de jongen kan slikken.

Na het voeren wachten de volwassen vogels even op de uitwerpselen. De eerste dagen wordt de ontlasting door de ouders opgegeten, later afgevoerd. De nestperiode is meestal tussen de 16 en 22 dagen. In Centraal-Europa is dat meestal tussen de 17 en 20 dagen.

Na het uitvliegen worden de jongen meestal nog zo'n 6 tot 10 dagen gevoerd, maar soms wel tot 25 dagen. Bij een tweede legsel is deze periode meestal 14 tot 22 dagen of langer.

{/tabs}

Bescherming

De koolmees is een beschermde inheemse diersoort die beschermd wordt op grond van de Europese Vogelrichtlijn. In Nederland is dit geregeld in de Wet natuurbescherming.

Bronnen

Parus major

Taxonomie

Rijk Animalia (Dieren)
Stam Chordata (Chordadieren)
Klasse Aves (Vogels)
Orde Passeriformes (Zangvogels)
Familie Paridae (Mezen)
Geslacht Parus (Koolmezen)

Kenmerken

Grootte 12-14 cm
Kleur Witte wangen, een zwarte hoed, een gele borst en een groenblauwe rug. 
Gewicht 14-22 gram 
Vleugelspanwijdte 22-25 cm
Groep/solitair Buiten broedtijd in groepjes
Voeding Zaden en vet in de winter, eiwitrijk voedsel in het voorjaar en zomer. Rupsen,  kleine insecten, beukennootjes en zaden. 

Voortplanting

Broedinterval Jaarlijks 
Paartijd Eind maart-juli 
Aantal eieren 6-12 (gemiddeld 8-9) eieren 
Plaats eieren Nest 
Grootte eieren 17,5 x 13,5 mm
Broedtijd 12-15 dagen 
Aantal legsels Meestal 1
Uitvliegen 16-22 dagen na het uitkomen
Geslachtsrijp 1 jaar
Levensduur 10 jaar 

Voorkomen in Nederland

Status Niet bedreigd 
Aantal broedparen 375.000-625.000 
Aantal overwinteraars 1.000.000-2.000.000 
Doortrekkers 200.000-1.000.000 
Bescherming Beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming. 
Rode lijst -

Voorkomen wereldwijd

Broedgebied koolmeesAuthor: Viktor Kravtchenko
License: CC BY-SA 3.0

Zoeken

Taxonomie