Leefgebied

Nederland

De koninginnenpage is een vrij schaarse standvlinder die vooral in de zuidelijke helft van het land wordt waargenomen. Het is echter een zeer mobiele vlinder die over grote afstanden kan zwerven. De omvang van het verspreidingsgebied fluctueert dan ook min of meer jaarlijks. In gunstige zomers zwerft hij naar het noorden en komt dan verspreid in heel Nederland voor, tot aan de Waddeneilanden toe. In gemiddelde jaren vliegt hij veel schaarser en in ongunstige jaren wordt de vlinder uitsluitend in Zuid-Limburg gezien.

Mondiaal

De koninginnenpage komt voor van West-Europa tot Azië en Noord-Amerika en van Noord-Scandinavië tot Noord-Afrika. Op het Europese continent ontbreekt de vlinder alleen in een noordelijk deel van Rusland. In Groot-Brittannië is de soort bijna uitgestorven. De koninginnenpage komt voor tot een hoogte van meer dan 2000 m boven zeeniveau.

Habitat

De Habitat bestaat uit diverse biotopen. Naast voldoende waardplanten en een markante plek waar de mannetjes kunnen samenscholen, moeten in het leefgebied voldoende nectarplanten groeien om in de grote nectarbehoefte van de vlinders te voorzien. Deze staan in allerlei ruderale terreintjes, moestuinen, kruidenrijke ruige graslanden, moerasgebieden en akkertjes. Daarnaast vliegt deze soort soms in tuinen bij huizen en ook de rupsen worden daar wel eens gevonden.

Herkenning

Vlinder

De grondkleur van de boven- en onderkant van de vleugels is geel. Op de bovenkant van de voor- en de achtervleugel bevindt zich langs de achterrand een doorlopende, brede blauwe band met zwarte randen. Opvallend zijn de staartjes aan de achtervleugel en de rode stip in de binnenrandhoek. 

Het gehele lichaam is behaard, het grootste deel van het lijf heeft een zwarte beharing maar de weerszijden van de kop en de zijkanten van het borststuk zijn voorzien van een meer gele tot oranje beharing. De voorvleugellengte bedraagt 32-41 mm en de spanwijdte 50 tot 75 mm. 

De samengestelde ogen zijn zwart van kleur en zijn aan de bovenzijde goed te zien. Ze bestaan uit vele kleine suboogjes. De antennes zijn lang en dun en eindigen in een ei-vormige knop.

De monddelen bestaan uit een lange buisvormige structuur die de roltong wordt genoemd. Deze bestaat uit twee gefuseerde kaakdelen die sterk verlengd zijn en in rust worden opgerold onder de kop. Bij het eten wordt de buis uitgerold en wordt het vloeibare voedsel opgezogen.

Rups

De rups is tot 41 mm lang. Het is een plompe rups met een groen lichaam met over de rug transversale zwarte banden waarin rode vlekken staan. De kop is zwaar getekend en groen. De jonge rupsjes zijn zwart met een witte veeg over de rug.

Pop

De kleur van de pop loopt uiteen van groen tot bruin of zwart: groene poppen vallen minder op in een groene omgeving, maar de bruine poppen hebben een grotere overlevingskans in een donkere omgeving. Poppen van de tweede generatie overwinteren als gordelpop.

Voedsel

Vanaf eind april vliegen de eerste vlinders. De dichtheid is gemiddeld tot vrij hoog met circa 6 individuen per hectare. De vlinders besteden vrij veel tijd aan het zoeken naar nectar. Zij halen deze uit allerlei kruiden, bijvoorbeeld klavers en schermbloemigen. In de zomer zijn de vlinders vaak te vinden op vlinderstruiken en distels.

Jonge rupsen eten eerst de eischaal op en vervolgens de bovenzijde van de bladeren. Oudere rupsen eten met name de bloeiwijze.

Waardplanten

Waardplanten zijn vooral peen, ook de gecultiveerde vorm, daarnaast ook andere schermbloemigen, zoals bevernel, engelwortel, dille, pastinaak, maggi en venkel. De rupsen worden incidenteel gezien op ruitachtigen, zoals de vuurwerkplant.

De volwassen vlinders gebruiken hun lange, oprolbare tong om in smalle bloemhoofdjes nectar te zuigen. De vlinders hebben een duidelijke voorkeur voor bloemen met een roze tot paarse kleur.

Weetjes

  • Bij gevaar wordt door de rupsen een rood vorkvormig orgaan uitgestulpt waarmee ze een doordringende stank verspreiden.
  • De voorjaarsgeneratie heeft een lichtgele vleugelkleur, terwijl de kleuren bij de zomergeneratie een meer donkergele kleur heeft.

Gedrag

Vliegtijd

De vliegtijd loopt van eind april tot half juni en begin juli tot half september in twee generaties. In warme jaren vliegt er mogelijk een derde generatie in oktober. 

De vroegste datum waarop de soort is gezien is 28 maart. De laatste datum waarop de vlinder is gezien is 26 oktober.

Rups

De rupsen komen voor van half mei tot half juni en van half augustus tot eind september. De soort overwintert als pop in de kruidlaag.

Vanaf het vierde stadium - wanneer de rups de typische groen, zwart en oranje tekening heeft - is de rups in staat zich te verdedigen door het zogenaamde osmaterium uit de nek tevoorschijn te stulpen. Tegelijkertijd verspreidt de rups dan een doordringende geur. De rups verpopt zich laag in de kruidlaag, bijvoorbeeld aan de stengel van de waardplant.

Levenscyclus

De paring vindt plaats in de lente, als de poppen van de tweede generatie van het vorige jaar ontwaakt zijn uit hun diapauze aan het einde van de winter. De mannetjes komen meestal als eerste uit hun pop en hebben de neiging om heuvels en hogere boomkruinen op te zoeken. Dit gedrag komt ook voor bij andere vlinders en wordt wel hill-topping genoemd. De mannetjes prikkelen elkaar tot het uitvoeren van baltsvluchten en ze wachten op de komst van de vrouwtjes.

De vlinders zoeken elkaar op, waarbij de meer passieve vrouwtjes zich meer tussen het gebladerte ophouden en geurstoffen of feromonen afscheiden waarmee de actieve mannetjes worden aangetrokken. Tijdens de paring van de vlinder zijn de achterlijfspunten verbonden en vindt de overdracht van sperma plaats. In het lichaam van het vrouwtje ontwikkelen zich de eieren, die al spoedig op de voedselplanten worden afgezet.

Eitjes

De keuze van de waardplant verschilt enigszins tussen de generaties. Vrouwtjes van de eerste generatie zetten de eitjes af op de bovenkant van jonge bladeren van vooral peen. Die van de tweede generatie op de bloemen of bladeren van peen en andere schermbloemigen die dan beginnen te bloeien. Ieder eitje wordt op een andere bloemknop of bladtop afgezet. Jonge, vrijstaande waardplanten die boven de vegetatie uitsteken of aan de rand van een gebied op een beschutte plek groeien, hebben de voorkeur.

Het aantal eitjes varieert van enige tientallen tot enkele honderden, een vrouwtje kan tot maximaal 500 eitjes afzetten. Het leeuwendeel van de embryonale ontwikkeling vindt buiten het moederlichaam in het ei plaats. De eitjes zijn rond met een doorsnede van ongeveer 1 mm en in eerste instantie geel van kleur, later kleuren ze donkerder.

Rups

Als de rups het ei verlaat is het dier erg klein en zwart van kleur met een helder witte vlek op de rug. De rups lijkt hierdoor in zijn eerste stadium sprekend op een vogelpoepje. Dit dient ter camouflage en komt ook voor bij andere rupsen uit het geslacht Papilio waartoe de koninginnenpage behoort. De belangrijkste vijanden van rupsen zijn namelijk vogels, en vogelpoep staat bij geen enkele vogel op het menu.

De jonge rups verandert in verschillende stapjes naar een grote rups. Ieder stadium wordt voorafgegaan door een vervelling, waarbij de rups uit zijn oude huid scheurt en een nieuwe zachte huid tevoorschijn komt. Hierdoor kan de rups zijn lichaam in grootte doen toenemen, waarna de nieuwe huid uithardt. Als de rups groter wordt kan het dier zich beter verweren tegen vogels en de rups krijgt tevens fellere kleuren die dienen om vijanden als vogels te waarschuwen voor de giftigheid.

De rups van de koninginnenpage heeft vanaf de eerste vervelling een grasgroene tot bleekgroene kleur met zwarte dwarsbanden die de segmenten volgen, ieder lichaamssegment heeft een zwarte dwarsband die aan de onderzijde overgaat in kleine ronde vlekjes die net zo zwart zijn als de dwarsband. De banden worden onderbroken door oranje tot roodoranje vlekjes; per lichaamssegment heeft de rups vijf van deze vlekken. Het duidelijkst zichtbaar is het vlekje op het midden van de bovenzijde, aan weerszijden van het lichaam is een vlekje gelegen aan de onderzijde van de zwarte dwarsband en ook tussen de zwarte vlekjes aan de onderzijde van de flank is een dergelijk vlekje aanwezig.

Naast de banden op de segmenten zijn ook de segmentgrenzen zwart van kleur. Deze banden zijn minder geprononceerd en ononderbroken, ze zijn ook duidelijk smaller en vallen enigszins weg tegen de bredere en oranjegevlekte banden op het midden van de segmenten. Op ongeveer het midden van de flank is een rij eivormige openingen aanwezig, dit zijn de uiteinden van de ademhalingsbuizen van de rups, de stigmata.

De kop van de rups is omlaag gekromd en wordt verhuld onder een duidelijke verdikking aan de voorzijde. De kop is groen en heeft zwarte lengtestrepen,sommige rupsen hebben gele strepen.

Pop

Bij de laatste vervelling van de rups transformeert het lichaam in de pop; dit wordt de verpopping genoemd. De rups zoekt daarvoor een geschikte ondergrond uit, waarna de larve uit zijn oude huid scheurt en de pop wordt gevormd. Dit is een inactief stadium van de rups waarbij het zachte lichaam wordt omgebouwd naar de volwassen vorm dat uit harde delen bestaat.

Vlinder

Als de vlinder uit zijn pop kruipt is het lichaam opgezwollen en zijn de vleugels nog gekruld; ze kunnen nog niet worden gebruikt om mee te vliegen. De eerste tijd zit de vlinder stil en het vleugeloppervlak wordt vergroot door vloeistof in de vleugeladeren te pompen. Pas als de vleugels volledig zijn uitgevouwen en uitgehard kan de vlinder hiermee vliegen.

Predatie

Vijanden van de rups zijn rovende insecten als wespen, mieren en wantsen, parasitaire insecten zoals sluipwespen en andere kleine ongewervelden als spinnen. Ook verschillende gewervelde dieren als vogels jagen op de rupsen.  Bij gevaar wordt door de rupsen een rood vorkvormig orgaan uitgestulpt waarmee ze een doordringende stank verspreiden.

De volwassen vlinder wordt door verschillende vogels en gewervelden als reptielen gegeten. 

Bedreiging

Een concrete bedreiging is het verdwijnen van ruderale oeverhoekjes.

Op Europese schaal is de koninginnenpage niet bedreigd en over het algemeen is het voorkomen stabiel. De soort staat wel op de Waalse en Britse Rode Lijst en in Duitsland valt hij in de categorie bijna bedreigd.

Door de internationale natuurbeschermingsorganisatie IUCN wordt de soort als 'Niet bedreigd' beschouwd (Least Concern of LC)

Bronnen

Papilio machaon

Taxonomie

Rijk Animalia
Stam Geleedpotigen (Arthropoda)
Klasse Insecten (Insecta)
Orde Vlinders (Lepidoptera)
Familie Papilionidae (Pages)
Geslacht Papilio

Kenmerken

Voorvleugellengte 32-41 mm
Spanwijdte 50-75 mm
Waardplanten Vooral peen, daarnaast ook andere schermbloemigen, zoals bevernel, engelwortel, dille, pastinaak, maggi en venkel
Vliegperiode Eind april-half juni en begin juli-half september
Grootte rups 41 mm

Voortplanting

Aantal eitjes max 500

Voorkomen in Nederland

Status Oorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting.
Zeldzaamheid Een vrij schaarse standvlinder die vooral in de zuidelijke helft van het land wordt waargenomen.
Bescherming
verspreidingskaartVerspreidingskaart koninginnenpage

Verspreiding

Nederland Vooral in de zuidelijke helft van het land
Wereld Van West-Europa tot Azië en Noord-Amerika en van Noord-Scandinavië tot Noord-Afrika
Biotoopvoorkeur Diverse biotopen, waaronder ruderale terreinen en kruidenrijke graslanden

Zoeken

Taxonomie