Leefgebied

Het groot dikkopje komt voor van Noord-Spanje tot Oost-Azië en van Midden-Zweden en Engeland tot Spanje en Italië.

In Nederland is het een algemene standvlinder. De soort vliegt op de zand- en veengronden en in grote delen van de duinen. Op de meeste kleigronden ontbreekt hij en op de Waddeneilanden en in Zuid-Limburg is hij wat schaarser.

Habitat

De habitat bestaat uit allerlei beschutte, vrij vochtige graslanden en ruigten, zoals vochtige heide met pijpenstrootje, grazige ruigten in graslanden, open plekken in bossen en bosranden.

Herkenning

Vlinder

De voorvleugellengte bedraagt 12-15 mm en de spanwijdte 25-32 mm. De onderkant van de achtervleugel is geelachtig, met duidelijke lichte vlekken. Het mannetje heeft op de bovenkant van de voorvleugel een duidelijke geurstreep in de vorm van een langgerekte S. Op de achtervleugels van de vrouwtjes zitten helderdere vierkante markeringen. Het groot dikkopje heeft geen kommavlek. Aan de uiteinden van de antennes ziet een haakje.

Rups

Rupsen kunnen 28 mm lang worden. Het zijn vrij forse rupsen waarvan het lichaam naar beide uiteinden smal toeloopt. Ze zijn blauwachtig groen met een donkere streep over het midden van de rug en een geelachtige streep over de spiracula. De grote kop is zwart met zwakke bruine tekening.

Voedsel

De vlinders voeden zich met nectar van onder andere gewone braam, dophei en akkerdistel.

Waardplanten

Waardplanten zijn diverse grassen zoals breedbladige zwenkgrassen en beemdgrassen, duinriet, kweek, witbol, kropaar en pijpenstrootje.

Weetjes

  • De mannetjes voeren 's morgens vaak patrouillevluchten uit. 's Middags vertonen ze territoriaal gedrag, vaak vanaf steeds dezelfde uitkijkposten.
  • Je zou het groot dikkopje voor een nachtvlinder kunnen aanzien, maar het is wel degelijk een dagvlinder.

Gedrag

De vlinders verschijnen vanaf midden juni. De dichtheid aan vlinders is hoog tot zeer hoog, tussen de 16 en meer dan 100 individuen per hectare. Ze voeden zich met nectar van onder andere gewone braam, dophei en akkerdistel.

Mannetjes wisselen patrouillevluchten af met het verdedigen van een territorium. Over het algemeen houden ze 's ochtends patrouillevluchten en verdedigen 's middags een territorium. Opvallend daarbij is dat ieder jaar min of meer dezelfde uitkijkposten worden gebruikt. Vooral geliefd zijn open zonnige plaatsen langs een bosrand of heg waar de waard- en nectarplanten staan. Om deze plaatsen wordt dan ook wel eens 'gestreden'. De vlucht tijdens zulke gevechten is zo snel, dat de vlinders nauwelijks te zien zijn, maar het ritselen van de vleugels is wel te horen.

Wanneer een vrouwtje voorbijvliegt, maakt het mannetje een snelle baltsvlucht waarna beide vlinders in een boom of struik landen. Een vrouwtje dat door een mannetje wordt benaderd, maar niet wil paren, trilt snel met de vleugels.

Mobiliteit

Het groot dikkopje is een mobiele vlinder die in staat is over grote afstanden te zwerven.

Vliegtijd

De vliegtijd loopt van midden juni tot half augustus in één generatie. De uiterste data waartussen vlinders zijn gezien, zijn 7 mei en 26 september.

Levenscyclus

Eitjes

Een vrouwtje dat op zoek is naar een geschikte plaats om de eitjes af te zetten, vliegt laag boven de vegetatie. Wanneer een geschikte plant is gevonden, gaat ze op een van de buitenste bladeren zitten en zet aan de onderzijde één eitje af. De meeste eitjes worden afgezet op beschutte plaatsen in een vrij hoge grazige vegetatie.

Rups

De rups eet na het uitkomen eerst de eischaal en bouwt vervolgens een koker door zijden draden van de ene naar de andere rand van het blad te spinnen. De binnenzijde van deze koker bekleedt hij met een laagje zijde. De rups kruipt alleen uit dit onderkomen om van de rand van de grasstengel te eten en keert er na iedere maaltijd weer in terug. Na elke vervelling maakt hij een nieuwe koker.

Voor de overwintering spint de halfvolgroeide rups een stevig hibernaculum in een grasstengel. Dan zit de rups diep weggestopt in een dichtgevouwen blad. In het voorjaar eet de rups verder. 

Pop

Om zich te verpoppen spint hij vlak boven de grond een cocon tussen enkele grassprieten. Na ongeveer drie weken komen de vlinders uit.

Bedreiging

Op Europese schaal is het groot dikkopje niet bedreigd en over het algemeen is het voorkomen stabiel.

Bescherming

Deze vlinder is beschermd in het kader van de Wet natuurbescherming.

Bronnen

Ochlodes sylvanus

Taxonomie

Rijk Animalia
Stam Geleedpotigen (Arthropoda)
Klasse Insecten (Insecta)
Orde Vlinders (Lepidoptera)
Familie Hesperiidae (Dikkopjes)
Geslacht Ochlodes

Kenmerken

Voorvleugellengte 12-15 mm
Spanwijdte 25-32 mm
Waardplanten Diverse grassen zoals breedbladige zwenkgrassen en beemdgrassen, duinriet, kweek, witbol, kropaar en pijpenstrootje.
Vliegperiode Midden juni tot half augustus
Grootte rups 28 mm

Voorkomen in Nederland

Status Oorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting.
Zeldzaamheid Algemene standvlinder.
Bescherming Beschermd in het kader van de Wet natuurbescherming.
verspreidingskaart groot dikkopjeverspreidingskaart groot dikkopje

Verspreiding

Nederland Algemene standvlinder. Ontbreekt op de meeste kleigronden, op de Waddeneilanden en in Zuid-Limburg is hij wat schaarser.
Wereld Van Noord-Spanje tot Oost-Azië en van Midden-Zweden en Engeland tot Spanje en Italië.
Biotoopvoorkeur Zand- en veengronden en in grote delen van de duinen. Ontbreekt op de meeste kleigronden.

Zoeken