Leefgebied

Het verspreidingsgebied van de groene specht ligt voor ruim 75 procent in Europa en verder in het westen van Azië. In Europa komt de groene specht als standvogel voor in het grootste deel van het vasteland, in Groot-Brittannië en in het zuiden van Noorwegen en Zweden, tot aan de boreale zone. Hij komt als dwaalgast voor in Finland, Ierland, Gibraltar en Malta. Op het Iberisch Schiereiland leeft de verwante Iberische groene specht (P. sharpei), die voorheen als ondersoort werd beschouwd. De groene specht komt hier enkel in de omgeving van de Pyreneeën voor. In Azië komt de groene specht voor in Klein-Azië en naar het oosten tot in Turkmenistan, Iran en de Kaukasus.

De grootste populatie groene spechten bevindt zich in Centraal-Europa. Mogelijk als gevolg van de achteruitgang van de rode bosmier heeft de specht zijn dieet uitgebreid met andere soorten, zoals de wegmieren (Lasius niger). Hierdoor heeft hij zijn verspreidingsgebied verder uitgebreid.

Habitat

Groene spechten broeden vooral in het kleinschalige cultuurlandschap met oude bomen en in de duinen, maar steeds vaker in polders in recreatiebossen, stadsparken en sportparken. In grote bosgebieden broedt hij vaak alleen langs de randen of rond kale stukken. De groene specht ontbreekt in grootschalige open landschappen. Een nest maakt hij in oude loofbomen. Het voedsel zoekt de groene specht hoofdzakelijk op de grond.

Door zijn specialisatie in bodem bewonende mieren is de groene specht kwetsbaar in strenge winters. Hij komt derhalve vooral voor in laaglanden en op berghellingen tot 500 meter boven zeeniveau. In de Alpen en Transkaukasië wordt hij aangetroffen tot op een hoogte van 2000 meter, met uitersten van respectievelijk 2150 en 2745 meter boven zeeniveau.

In Nederland

Tussen 1975 en 2000 verdween de groene specht uit veel grote, aaneengesloten bossen op de zandgronden. Tegelijkertijd nam hij sterk toe in lage delen van Nederland, maar dat kon de teruggang niet compenseren. Als geheel is er sinds 1990 sprake van een forse toename. Maar sneeuwrijke winters hakken er goed in bij deze vogel. Dan zijn er weinig insecten voorhanden.

Herkenning

De groene specht is een forse vogel. De lichaamslengte bedraagt 31 tot 34 cm. De spanwijdte kan 40 tot 52 cm worden, maar is vaak tussen de 45 en 51 cm. Het gewicht is 170 tot 180 gram, maar kan variëren tussen de 140 en 250 gram. Mannetjes en vrouwtjes zijn vrijwel even lang en groot.

Hij heeft een opvallend olijfgroene rug en nek en een gele stuit. De onderzijde is lichtgrijsgroen. De kleur van de vleugels verloopt van olijfgroen en gelig op de bovenzijde van de binnenste vleugelveren naar zwart met grote witte vlekken op de buitenste veren.

De kop van de groene specht is opvallend getekend met een rode kopkap die van het voorhoofd tot achter in de nek loopt. Het gezicht is tot de oorstreek zwart en de ogen zijn blauwig wit. Mannetjes hebben daarnaast nog een zwart omzoomde rode baardstreep onder het oog, deze vlek is bij vrouwtjes zwart. De snavel is relatief zwak voor een specht en is alleen geschikt voor zacht hout.

De groene specht is meer aangepast op het foerageren op de grond dan de meeste andere spechten. Hij heeft hiervoor een ongewoon lange tong van zo'n tien centimeter, die hij rond zijn schedel kan oprollen. De verhoornde punt van de tong is plat, breed en van kleine weerhaken voorzien. De vergrote speekselklieren zorgen voor een grote kleverigheid.

De tenen van de staalgrijze poten zijn als bij veel spechten zygodactyl geplaatst: twee tenen staan naar voren en twee naar achteren gericht. Deze geven samen met de stugge staartveren een goede grip en steun, wanneer de groene specht zich verticaal aan een stam vastklemt.

Juveniel

Een juveniel is matter en bleker gekleurd dan een volwassene. De kop, hals en onderzijde zijn bedekt met donkere onregelmatige vlekken en strepen en de bovenzijde en vleugels hebben witte vlekken. De rode kopkap is vaal en vaak bedekt met grijze vlekken. De donkere koptekening is vaak moeilijk te onderscheiden. Bij vliegvlugge mannetjes kunnen al enkele rode veren in de baardstreep te zien zijn.

De eerste rui begint reeds enkele weken na het uitkomen van de eieren en is na ongeveer vier maanden afgerond. In de late herfst hebben juveniele al het verenkleed van een volwassen vogel.

Geluid

De groene specht roffelt zelden en doet dit zacht, snel en onregelmatig. Zijn territoriumroep is daarentegen opvallend en luid, vooral dat van het mannetje. Deze klinkt als een luide lach, bestaande uit tot twintig lettergrepen: kjuu-kjuu-kjuu. De baltsroep lijkt sterk op de territoriumroep, maar klinkt nasaler en aan het einde sneller en minder luid.

Tijdens warm winterweer laat de groene specht regelmatig een duidelijk klu-uk horen, te vergelijken met de roep van de grijskopspecht, maar minder zuiver en lager in toonhoogte. Tijdens het landen laat de groene specht vaak een scherp kjak horen en bij verstoring of bedreiging een serie vergelijkbare geluiden die klinkt als kjuk-kjuk-kjuk-kjuk.

Weetjes

  • Groene spechten zijn standvogels van open loofbossen, hoogstamboomgaarden, parken en oude houtsingels.
  • Ze broeden meestal in een zelfgehakt hol in een oude loofboom.
  • Het voedsel bestaat vooral uit grote mieren (vooral rode bosmieren) en wordt meestal op de grond verzameld.
  • De lachende roep van groene spechten is een opvallend kenmerk.
  • Groene spechten roffelen niet vaak en het roffelende geluid is zwak.

Voedsel

De groene specht zoekt zijn voedsel bijna uitsluitend op de grond en hakt daarom aanzienlijk minder in bomen dan de meeste spechten. Hij foerageert met name in kort gras op losse bovengrond, daar hier de meeste mierennesten te vinden zijn. Met zijn lange tong boort hij gaten van enkele centimeters diep, om vervolgens de prooidieren met behulp van zijn kleverige tong te vangen. Ook verwijdert hij met zijn snavel mos uit spleten en tussen stenen om bij zijn voedsel te kunnen komen.

De groene specht heeft een voorkeur voor behaarde bosmieren (Formica rufa) en andere mieren van het geslacht Formica. Daarnaast worden Lasius-soorten en andere mierensoorten gegeten. De langwerpige, cilindervormige uitwerpselen bestaan vaak geheel uit de resten van mieren. Soms voedt de groene specht zich met andere geleedpotigen, maar zelden met andere soorten ongewervelden. Ook jaagt hij soms op kleine reptielen. Soms vult de groene specht zijn dieet aan met bessen, zoals wilde lijsterbessen en de zaadmantels van de venijnboom, en vruchten als kersen, appels en druiven.

In de winter graaft de groene specht tunnels in de sneeuw om mierenhopen te bereiken. Er is waargenomen dat een exemplaar een tunnel van 85 centimeter groef. Ook voedt de groene specht zich 's winters met overwinterende geleedpotigen, zoals bodemwantsen, vliegen, muggen en spinnen.

Gedrag

De groene specht is een sedentaire standvogel die in strenge winters grote verliezen lijdt. Bij het foerageren gebruikt hij vaak dezelfde routes. In de zomer zijn deze routes meestal kort, in de winter dwaalt hij vaak verder van zijn slaapplaats en wordt hij ook aangetroffen in tuinen.

De groene specht is een dag actieve vogel en doorgaans begint hij net na zonsopgang met het zoeken naar voedsel op de grond. De duur van de actieve periode is afhankelijk van het daglicht en varieert van acht uur in december tot vijftien uur in juli.

Voortbeweging

De groene specht heeft een golvende vlucht, waarbij hij drie à vier vleugelslagen afwisselt met een korte glijvlucht met dichtgevouwen vleugels. In vergelijking tot de meeste andere spechten bevindt de groene specht zich veel op de grond en verplaatst zich hier veel behendiger. Afstanden tot drie meter legt hij met sprongetjes af van elk ruim 25 centimeter. In het duister vliegt hij niet, bij uitzondering zal de groene specht zich dan klimmend verplaatsen. Hij klimt vloeiender en minder schokkerig dan bijvoorbeeld de grote bonte specht, maar minder snel dan de grijskopspecht. Een korte afstand tussen twee bomen overbrugt de groene specht door eerst omhoog te klimmen, gevolgd door een karakteristieke glijvlucht. Wanneer meer bomen dicht op elkaar staan, herhaalt hij deze manier meerdere keren kort op elkaar.

Voortplanting

De balts begint in december met de eerste kreten van het mannetje en bereikt een hoogtepunt in de maanden januari en februari. In Centraal-Europa worden in half maart tot begin april de uiteindelijke paren gevormd en de grenzen van het broedterritorium bepaald.

De groene specht broedt in de periode maart-juni en heeft één legsel van 4-6 eieren. De broedduur bedraagt 14-15 dagen.

Nestholte

Het is een holenbroeder die meestal broedt in een zelfgehakt hol in een oude loofboom. Vaak kiest hij hiervoor een eerder gebruikte nest- of slaapholte of een verlaten holte van andere spechten. Wanneer de groene specht zelf een nestholte uithakt kiest hij bij voorkeur een boom met vermolmd hout uit. Qua boomsoort lijkt de groene specht weinig kieskeurig te zijn. In West- en Centraal-Europa worden eiken, beuken, wilgen en fruitbomen het meest gebruikt, in Noord-Europa vooral populieren.

Het uithakken van de nestholte gebeurt voornamelijk door het mannetje en neemt 15 tot 30 dagen in beslag. De hoogte van de nestholte varieert van een meter boven de grond tot in de top van een grote boom. De holte is relatief groot voor een specht en is 15 tot 40 centimeter diep. Het vlieggat is ongeveer 50 à 60 millimeter breed en 75 millimeter hoog. Sommige nestholtes worden meer dan tien jaar lang door broedende groene spechten gebruikt.

Broedsel

Tussen begin april en half mei worden vijf tot acht witte eieren gelegd, elk met een afmeting van gemiddeld 31 bij 23 millimeter en 8,9 gram zwaar. Beide ouders broeden de eieren in 14 tot 20 dagen uit en lossen elkaar om de 1,5 tot 2,5 uur af. Alleen wanneer een broedsel mislukt volgt binnen de broedperiode een tweede legsel. Hiervoor wordt doorgaans een nieuwe nestholte gebruikt.

De kuikens worden door beide ouders gevoerd met mieren en hun larven. Zij ontwikkelen zich in 21 tot 27 dagen tot vliegvlugge juveniele. Ook nadat ze voor het eerst het nest verlaten hebben worden de juveniele meestal nog door de ouders gevoerd, soms tot zeven weken na het uitkomen van de eieren.

Juveniele met een leeftijd tot vijftien weken onderhouden een los contact met de ouders voordat zij een eigen territorium zoeken. Deze bevindt zich doorgaans op een korte afstand van hun geboorteplaats, meestal niet verder dan dertig kilometer.

Predatie

De groene specht heeft weinig natuurlijke vijanden behalve de hermelijn en de boommarter. De zwarte kraai is echter ook een geduchte vijand. Deze hakt met de snavel op de boom, waardoor de jongen voor het gat verschijnen. Dan kan de kraai toeslaan. Verder vormen roofvogels zoals de havik en de sperwer een bedreiging voor jonge groene spechten.

Bescherming

De groene specht is een beschermde inheemse diersoort. Net als alle andere vogels die van nature in het wild in Nederland voorkomen, zijn groene spechten beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn. De bescherming van de groene specht is in Nederland geregeld in de Wet natuurbescherming.

De grootste bedreigingen zijn intensivering van landbouw en sommige bosbouwmethodes. Het creëren van akkerland uit weiland resulteert in minder mieren in het gebied, de voornaamste voedselbron van de groene specht. Ook strenge winters zijn een bedreiging, daar de groene specht door dikke sneeuwlagen moeilijker bij zijn voedsel kan komen. Na een groot sterftecijfer heeft een populatie doorgaans tien jaar nodig om zich weer te herstellen.

De aantalsontwikkeling van groene spechten is niet altijd goed te verklaren. Bij de achteruitgang op zandgronden kan verslechtering van het voedselaanbod een rol spelen. Door stikstofdepositie ontstaat vergrassing en verruiging, wat voor bepaalde mierensoorten nadelig is. Ander bosbeheer met minder kaalkap kan ook een rol spelen. Meer onderzoek naar deze soort is nodig om effectieve beschermingsmaatregelen te kunnen voorstellen. De aantallen groene spechten in geheel Nederland nemen de laatste twee decennia gestaag toe door het ontstaan van nieuwe leefgebieden in Laag-Nederland (parken, recreatiebossen). Sinds 2017 staat de soort niet meer op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels.

Bronnen

Picus viridis

Taxonomie

Rijk Animalia (Dieren)
Stam Chordata (Chordadieren)
Klasse Aves (Vogels)
Orde Piciformes (Spechtvogels)
Familie Picidae (Spechten)
Onderfamile Picinae (Echte spechten)
Geslacht Picus

Kenmerken

Grootte 31-34 cm
Snavellengte
Kleur Olijfgroene rug en nek en een gele stuit
Gewicht 140-250 gram
Vleugelspanwijdte 40-52 cm
Groep/solitair Solitair
Voeding Mieren, geleedpotigen, kleine reptielen

Voortplanting

Broedinterval Jaarlijks
Broedperiode April-mei
Aantal eieren 5-8 eieren
Plaats eieren Hol in boom
Grootte eieren 31-23 mm
Broedtijd 14-20 dagen
Aantal legsels 1 legsel
Vliegvlug 21-27 dagen
Geslachtsrijp 1 jaar
Levensduur 5-8 jaar

Voorkomen in Nederland

Status
Aantal broedparen 9500-11.500 (in 2018-2020)
Aantal overwinteraars 25.000-30.000 (in 2013-2015)
Doortrekkers Broedvogel - jaarrond aanwezig
Bescherming
Rode lijst Sinds 2017 niet meer op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels
Leefgebied Groen spechtSovon Vogelonderzoek Nederland

Voorkomen wereldwijd

Leefgebied groen specht wiki Achim RaschkaAuthor: Achim Raschka,
License: CC BY-SA 3.0

Zoeken