Leefgebied

De gewone pad komt bijna in heel Europa. Gebieden waar hij niet voorkomt zijn Ierland en de Balearen, Corsica, Kreta, Malta en Sardinië. Het verspreidingsgebied strekt zich uit tot het Midden-Oosten (Turkije, Syrië en Libanon) en Azië. In Noord-Afrika komt hij voor in Marokko, Algerije en Tunesië.

Hij komt van zeeniveau tot 3000 meter hoogte voor en is vanwege het enorme verspreidingsgebied het bekendste lid van de orde van de kikkers in Europa. Van alle Europese amfibieën heeft hij het noordelijkste verspreidingsgebied tot de 68e breedtegraad in Finland. 

In Nederland komt de gewone pad in alle provincies voor. Op veel plaatsen is de soort algemeen. Alleen uit Noord-Groningen en van de Waddeneilanden (met uitzondering van Terschelling) zijn geen recente noch historische waarnemingen bekend. In grote delen van Friesland, Groningen en Noord-Holland (met name de Wieringermeer) lijkt de soort schaars of zelfs geheel te ontbreken.

Habitat

De gewone pad is vanwege zijn op een terrestrische levenswijze aangepaste huid vrijwel uitsluitend te vinden op het land maar wel op enige afstand van het water zoals poelen, sloten, meren en vennen. Hij komt vooral voor in enigszins vochtige, sterk begroeide habitats als bossen, weilanden, akkers, graslanden, spoorwegbermen, duingebieden, begroeide moerassen en braakliggend terrein, maar ook parken en tuinen in meer stedelijk gebied. Uitgestrekte onbegroeide open landschappen worden vermeden.

Gebieden die gebruikt worden voor de voortplanting zijn stilstaande tot langzaam stromende, permanente wateren die gedeeltelijk door de zon worden beschenen en liefst veel onderwatervegetatie bevatten. Voorbeelden zijn sloten, afgravingen, poelen, vijvers, grachten, greppels, meren en rivieren. Voor de eiafzet dienen waterplanten die ook gebruikt worden als  schuilplaats voor larven en volwassen dieren. 

Herkenning

De gewone pad is een middelgrote tot grote pad met een lengte van 6 tot 13 cm. De lengte varieert echter met het verspreidingsgebied. In het noordelijke deel worden de mannetjes maximaal 9 centimeter lang, vrouwtjes worden iets groter en kunnen daar 11 cm worden. In het zuiden van Europa komt de ondersoort Bufo bufo spinosus voor, waarvan de mannetjes maximaal 10 cm lang worden en vrouwtjes 15 cm. Mannetjes zijn ongeveer een derde kleiner dan vrouwtjes.

Hij heeft een opvallend gedrongen lichaam, de kop is groot en breed en heeft twee duidelijk zichtbare ogen met een oranjerode tot goudbronzen kleur. De pupil is spleetvormig en loopt horizontaal. Het achter het oog gelegen trommelvlies is moeilijk te zien omdat het geen afwijkende kleur heeft en relatief klein is. Achter het oog, boven het trommelvlies, zijn de oorklieren aanwezig, die bij de gewone pad opvallend groot en lang zijn en meestal een afwijkende kleur hebben zodat ze goed opvallen. Deze klieren produceren gifstoffen.

De poten zijn relatief klein met korte tenen. De achterpoten hebben matig ontwikkelde zwemvliezen die aan de voorpoten geheel ontbreken. Mannetjes hebben dikkere voorpoten dan de vrouwtjes (om zich mee aan vrouwtjes vast te klemmen in de paartijd) en de achterpoten van het mannetje zijn relatief langer. Mannetjes hebben op drie vingers van iedere voorpoot een zogenaamd paarkussentje zitten, dat in de voortplantingstijd donker kleurt en dan duidelijk te zien is.

Het lichaam is variabel van kleur en is op de rug grijsbruin tot geelbruin of roodbruin. De buik is wittig met een gemarmerde tekening. De structuur van de huid is zeer ruw en droog. In de paartijd wordt de huid gladder. Het gehele lichaam is bedekt met wratachtige structuren, dit zijn de slijmklieren. Deze 'wratten' zijn vooral op de flanken erg talrijk, die op de rug zijn het grootst en het duidelijkst te zien. Bij sommige exemplaren zijn de wratten rood van kleur zodat ze duidelijk afsteken. Populaties in het zuiden van Europa hebben bulten met een verhoornde bovenzijde.

De roep is een vrij monotoon geluid en laat zich omschrijven als een zacht en hoog trillend piepje: ‘orrrt….orrt…orrt’.

Weetjes

  • De gewone pad komt bijna in heel Nederland algemeen voor.
  • De soort is vooral bekend vanwege de paddentrek: in het voorjaar trekken gewone padden massaal naar geschikte voortplantingswateren.
  • Gedurende de paartijd zien de mannetjes er iets dikker uit, wat veroorzaakt wordt door onderhuidse ophopingen van lymfevocht.
  • Eetbare prooien worden doorgeslikt door de oogballen omlaag te draaien waardoor het voedsel de maag wordt ingedrukt, wat een opmerkelijk gezicht is.

Voedsel

De gewone pad is net als alle kikkers een opportunistische jager die alles pakt wat in de bek past, wat deels te danken is aan het slechte gezichtsvermogen. Padden kunnen echter wel proeven en smerige prooien worden met de poten en de tong de mond uitgewerkt. De gewone pad gebruikt voor het vangen van zijn prooi hoofdzakelijk zijn uitklapbare tong, waardoor er een voorkeur is voor prooien die wat kleiner zijn en gemakkelijker naar binnen te werken.

Hij eet voornamelijk kleine ongewervelden als insecten en de larven, spinnen, slakken en regenwormen. Ook mieren worden wel gegeten, waarbij de pad net zo lang blijft zitten en mieren oppeuzelt tot er geen meer over zijn. Vanwege de grote kop en de brede bek kunnen prooien worden verorberd die niet veel kleiner zijn dan het dier zelf. Voorbeelden van dergelijke prooien zijn grote naaktslakken, uit het nest gevallen vogels, kleine zoogdieren als muizen en zelfs reptielen als jonge ringslangen, die net als kleine prooien in één keer worden doorgeslikt.

Prooien worden vanwege de nachtactieve levenswijze tijdens vochtig weer in de schemering en de nacht buitgemaakt. Alleen op regenachtige dagen foerageert de pad overdag.

Gedrag

De gewone pad is ondanks het algemene voorkomen geen opvallende soort vanwege de grotendeels verborgen levenswijze en de goede camouflage waardoor veel exemplaren over het hoofd worden gezien. De pad is buiten de voortplantingstijd schemer- en nachtactief en houdt zich overdag vooral schuil in zelfgegraven holletjes of onder objecten als stenen en houtstronken en in struiken. In de winter wordt een dieper gelegen schuilplaats opgezocht en gaat de pad in winterslaap, waarbij het dier maandenlang in een sluimerende toestand verkeert waarbij niet gegeten wordt en het dier niet beweegt. De stofwisseling staat dan vrijwel stil. Soms overwintert de gewone pad op de bodem van een poel in de modder, maar meestal vindt de overwintering plaats op het land.

In tegenstelling tot veel kikkers heeft de gewone pad korte, weinig krachtige achterpoten en is het geen beste springer die hooguit kleine hupjes maakt maar meestal over de bodem kruipt of soms korte sprintjes trekt. Klimmen doet deze soort nooit, hier is de bouw niet geschikt voor en ook is de gewone pad niet lenig en ontbreken aanpassingen zoals hechtschijfjes. Het is tevens een relatief slechte zwemmer.

De gewone pad graaft holletjes die gebruikt worden als schuilplaats gedurende warme of droge perioden en komt pas tevoorschijn bij koele en vochtige omstandigheden, zoals na een regenbui of tijdens vochtige nachten. Alleen na een regenbui kan de gewone pad ook overdag worden aangetroffen.

Padden kunnen heel oud worden (er is een waarneming van 30 jaar), maar in de natuur worden ze meestal niet ouder dan 10 tot 12 jaar.

Voortplanting

Padden leven het gehele jaar op het land, met uitzondering van de voortplantingstijd omdat de larven of kikkervisjes zich in het water ontwikkelen. De gewone pad is erg honkvast en gaat altijd terug naar het water waarin het dier geboren is. Gewone padden trekken dan ook massaal naar de voortplantingswateren, waarbij veel verkeersslachtoffers kunnen vallen. Op veel plaatsen worden de padden door vrijwilligers geholpen met oversteken. Deze voorjaarstek kan in warme lentes en bij een hoge luchtvochtigheid al in de tweede helft van februari beginnen. Bij wisselende temperaturen kan de trek weer stilvallen of schokkend verlopen. De piek valt in maart en april.

Net als vrijwel alle kikkers en padden vindt er een uitwendige bevruchting plaats en is er dus geen paring. Het mannetje klampt zich, vaak al voor het te water gaan, met zijn voorpoten vast in de oksels van het vrouwtje. Speciale paarkussentjes op de voorpoten zorgen daarbij voor een extra stevige grip. Dit blijft in stand tot het vrouwtje haar eieren in het water afzet waarna het mannetje onmiddellijk zijn zaad uitstort en de bevruchting plaatsvindt. De mannetjes zijn in de voortplantingstijd zeer paarlustig.

De gewone padden leggen hun eieren in snoeren, deze worden gewikkeld rond takken of water- en oeverplanten. Een eisnoer is 2 tot 4 of soms 5 meter lang en bevat 2.000 tot 6.000 eieren. De larven zijn volledig zwart en leven aanvankelijk in dichte scholen. Later leven ze solitair.

Van mei tot uiterlijk begin juli kunnen de zeer kleine, nog zwarte, net gemetamorfoseerde jongen ook massaal aan land kruipen ("paddenregen"). Overwintering van larven komt, voor zover bekend, niet voor.

Larven

Uit de eieren komen na tien dagen de kleine zwarte kikkervisjes die zich afhankelijk van de temperatuur en het voedselaanbod in 2 tot 3 maanden ontwikkelen tot kleine padjes. De kikkervisjes blijven vaak bij elkaar en vormen scholen. Ze worden maximaal 4 centimeter lang, inclusief de staart, voordat de metamorfose begint en ze steeds kleiner worden omdat de staart, in tegenstelling tot alle andere amfibieën, bij kikkers en padden verloren gaat. De oudere kikkervisjes zijn herkenbaar aan de relatief ronde staartpunt en de zwarte kleur.

De meeste larven redden het niet en worden opgegeten door vijanden. Kikkervisjes worden vaak gemeden door vissen vanwege de bittere smaak en ze vallen massaal ten prooi aan waterinsecten. De overlevenden verlaten het water rond mei als de voorpootjes zichtbaar zijn en de staart is verdwenen. De jonge padjes zijn dan nog erg klein en geheel zwart, pas later krijgen ze de bruine kleur. Ze bevinden soms zich in enorme aantallen vlak langs het voortplantingswater en na enige tijd trekken ze bij regenachtig weer massaal weg naar hoger gelegen gebieden, wat de paddenregen wordt genoemd.

De jonge padjes zijn nu tussen de 7 en 12 millimeter lang, het duurt dan nog 3 tot 4 jaar voordat ze geslachtsrijp zijn en zich kunnen voortplanten. Dan keren ze net als hun ouders ieder jaar terug naar het voortplantingswater. 

Predatie

Met name de kikkervisjes worden door verschillende predatoren belaagd, vooral waterinsecten als de geelgerande watertor, de staafwants, de waterschorpioen en de roofzuchtige larven van libellen. Sommige roofvissen en salamanders zoals de kamsalamander eten weleens larven, hoewel de larven van andere kikkers door hun minder bittere smaak populairder zijn. De kleine padjes hebben eveneens vele vijanden zoals loopkevers en grote spinnen.

Vijanden van de gewone pad zijn met name vogels zoals de bosuil, reiger, buizerd, dwergarend, grauwe kiekendief, rode wouw, slangenarend, waterral, wespendief en de zwarte wouw. Daarnaast jagen verschillende rovende zoogdieren op de gewone pad, zoals de egel en de bunzing. Van deze laatste vijand is bekend dat ware slachtingen kunnen worden aangericht. Een andere vijand van de gewone pad is de ringslang die de oevers afstruint op zoek naar kikkers en padden.

Een vijand die de volwassen exemplaren van de gewone pad op een verschrikkelijke manier te gronde kan richten is de groene paddenvlieg (Lucilia bufonivora). Deze vlieg parasiteert op verschillende kikkers, maar heeft een voorkeur voor de gewone pad. De groene paddenvlieg zet de larven af in de neusgaten. De larven van de paddenvlieg eten eerst het slijm rond de neusgaten van hun slachtoffer maar vreten zich vervolgens een weg door de slijmvliezen en het omliggende kraakbeen en ten slotte weefsel in de oogholte en de hersenen. Hierdoor krijgt het onfortuinlijke dier eerst twee enorme gaten in de voorzijde van de kop en zal uiteindelijk sterven. Nadat de maden zich vol hebben gegeten verpoppen ze, waarna de uit de pop gekropen vliegen weer andere padden besmetten.

Bedreiging

De soort heeft in de Rode Lijst de status Thans niet bedreigd. De soort is beschermd volgens de Wet Natuurbescherming. Vrijstellingen (ontheffingen), voor bijvoorbeeld paddenoverzetprojecten, kunnen per provincie verschillen. In het RAVON tijdschrift is een artikel over deze wet. Dit artikel is hier te vinden.

Bronnen

Bufo bufo

Taxonomie

Rijk Animalia
Stam Chordata
Klasse Amphibia
Orde Anura (Kikkers)
Familie Bufonidae (Echte padden)

Kenmerken

Grootte 6-13 cm
Kleur Grijsbruin tot geelbruin of roodbruin
Gewicht 50-100 gram
Groep/solitair Solitair
Voeding Kleine ongewervelden als insecten en de larven, spinnen, slakken en regenwormen

Voortplanting

Broedinterval Jaarlijks
Paartijd Maart-april
Aantal eieren 2000-6000 eitjes
Plaats eieren Snoeren, gewikkeld rond takken of water- en oeverplanten
Grootte eieren 1.5-2 mm
Incubatietijd 10 dagen
Geslachtsrijp 3-4 jaar
Levensduur 10-12 jaar

Voorkomen in Nederland

Status IUCN Thans niet bedreigd
Zeldzaamheid Algemeen
Bescherming Beschermd volgens de Wet Natuurbescherming

Verspreiding

Nederland In alle provincies, op de Waddeneilanden alleen op Terschelling
Wereld Europa, Midden-Oosten, Azië, Noord-Afrika
Biotoopvoorkeur Enigszins vochtige, sterk begroeide habitats 
verspreidingskaart
Verspreidingskaart Gewone pad

Zoeken

Taxonomie