Leefgebied

Mondiaal

Het bont zandoogje komt voor in Midden-Europa en Noord-Afrika tot een hoogte van 1200 meter, waarbij de ondersoort Pararge aegeria tircis in Midden-Europa voorkomt, terwijl Pararge aegeria aegeria in Zuid-Europa, Noord-Afrika en Libanon voorkomt.

Nederland

In Nederland is het verspreidingsgebied vanaf het begin van de twintigste eeuw groter geworden tot momenteel vrijwel het gehele land. Alleen in enkele gebiedjes in Noord-Holland en Friesland ontbreekt de vlinder wegens te weinig bomen en struiken. Het bont zandoogje is nu een algemene standvlinder

Habitat

De habitat bestaat vooral uit bosranden en open bossen, maar ook tuinen en parken in een bosrijke omgeving. 

De vlinders hebben een voorkeur voor zonnige open plekjes, zoals bospaden, kapvlakten of randen van bossen en struwelen. De hoogste dichtheden worden gevonden langs (bos)randen bij vochtige heidevelden.

Herkenning

Vlinder

De vlinders hebben een spanwijdte van 32 tot 45 millimeter, de vrouwtjes zijn vaak iets groter dan de mannetjes.

Ze hebben bruine tot donkerbruine vleugels met kleine oogvlekken met lichtgele randen en zwarte en witte kernen. De vlekken zijn prominenter aanwezig bij vrouwtjes dan bij mannetjes. Op de punt van de voorvleugel bevindt zich zo'n vlek, die wordt geflankeerd door verschillende witte vlekken die in banen zijn gerangschikt.

Op de achtervleugels zitten drie tot vier oogvlekken naast elkaar. De buitenrand van alle vleugels is dun en met onderbrekingen wit gekleurd.

De onderzijde van de voorvleugels is bruin met talrijke witte vlekken en dezelfde oogvlek als op de bovenzijde. Aan de onderzijde van de achtervleugels zijn in plaats van de oogvlekken donkerbruine, sterk vervaagde vlekken met lichte kernen te zien. De basiskleur van de onderkant van de achtervleugels is oker en licht gevlekt bruin, met een violette glans aan de buitenrand. Er zitten ook twee dunne, donkerbruine, golvende banden op de achtervleugels.

Rups

De rupsen zijn ongeveer 27 millimeter groot. Het lichaam is geelachtig groen en heeft een witgerande, donkergroene dorsale streep. Aan de zijkanten zitten lichte en donkere lengtestrepen en twee witte vlekjes bij de staart. De staartvork is witachtig, de kop blauwachtig groen.

Voedsel

Het voedsel van de vlinders bestaat vooral uit honingdauw van bladluizen, sap van vruchten of bloedende bomen of nectar van bijvoorbeeld bramen.

Waardplanten

De waardplanten van de rupsen omvatten verschillende grassen waaronder kweek, kropaar, witbol, boskortsteel en reuzenzwenkgras.

Weetjes

  • De mannetjes gedragen zich opvallend territoriaal.
  • Het bont zandoogje komt tegenwoordig verspreid over het hele land voor zolang er maar een paar bomen en struiken staan.
  • Het is een van de weinige vlinders die ook midden in een afgesloten bos voorkomen, mits er een klein zonnig plekje is.

Gedrag

De eerste vlinders vliegen eind maart. De dichtheid op de vliegplaatsen kan heel hoog zijn, circa 22 tot 58 individuen per hectare.  Bij lagere temperaturen vliegen ze vaker op open plaatsen langs bosranden en bospaden, waar de temperatuur hoger is dan in het bos. Bij een hogere temperatuur zijn de vlinders juist vaker midden in het bos te vinden.

De mannetjesvlinders vertonen opvallend territoriaal gedrag. Ze zitten op verhoogde posities van waaruit ze de omgeving kunnen observeren en proberen passerende rivalen af ​​te schrikken. Ze keren altijd terug naar hun plek.

Mobiliteit

Het bont zandoogje is een mobiele vlinder. Vrouwtjes zwerven gemiddeld meer dan mannetjes. Dit komt omdat zij bij het afzetten van de eitjes ver vliegen.

Vliegtijd

De vlinders vliegen van eind maart tot eind oktober in drie overlappende generaties. De uiterste data waarop het bont zandoogje is gezien, zijn 3 maart en 8 november.

Levenscyclus

Mannetjes bezetten een territorium op een plaats waar de zon door de bomen valt of maken patrouillevluchten om vrouwtjes te vinden. Bij warm weer wordt meer gepatrouilleerd dan bij lagere temperaturen en over het algemeen zijn patrouillerende mannetjes donkerder gekleurd dan territoriale. Dit heeft te maken met de warmtehuishouding: patrouillerende mannetjes moeten geregeld door beschaduwde plaatsen vliegen en verliezen daarbij meer warmte dan hun territoriale collega´s die een vaste uitkijkpost op een zonnige plek hebben. Donkere dieren warmen sneller op dan lichtere, waardoor donkere mannetjes meer kunnen patrouilleren dan de lichtere.

Een territoriaal mannetje reageert op alles wat hij ziet, zoals vlinders, andere grotere insecten of zelfs vogels. Zodra een ander mannetje het territorium binnenvliegt, volgt een spiraalvlucht of een horizontale achtervolging. De mannetjes gunnen elkaar geen rust totdat een van beide wegvliegt. Een vrouwtje dat het territorium binnenvliegt, wordt achtervolgd tot ze landt. Het mannetje gaat naast haar zitten en baltst een paar seconden met schokkende vleugelbewegingen. Als het een maagdelijk vrouwtje is, begint vervolgens de paring

Eitjes

Vrouwtjes, die op zoek zijn naar een geschikte plek om eitjes af te zetten, hebben een typische vlucht: hun vleugels bewegen snel, maar ze gaan slechts langzaam vooruit.

Meestal zetten ze de eitjes afzonderlijk af op de onderkant van bladeren, bij voorkeur van kleine, geïsoleerde pollen. In de zomer worden vooral grassen gebruikt die in de schaduw groeien, in het voorjaar en de nazomer planten die op zonnige, halfopen plaatsen voorkomen, zoals in bosranden of langs brede bospaden. De vrouwtjes zwerven tijdens het afzetten van de eitjes en verdelen zo hun eitjes over een groot gebied.

Rups

De rupsen komen na ongeveer 10 dagen uit. Aanvankelijk blijven de rupsen bij de pol waarin het eitje is afgezet, later gaan ze meer zwerven en kunnen dan enkele tientallen meters afleggen. De groeisnelheid van rupsen verschilt aanzienlijk tussen individuen; sommige ontwikkelen zich drie keer zo snel als andere.

Het bont zandoogje overwintert doorgaans als pop, maar ook een deel van de rupsen die na midden augustus uit het eitje kruipen overwintert. Ook in het najaar verschilt de groeisnelheid tussen de rupsen aanzienlijk: bij hogere temperaturen kunnen sommige rupsen die eind september uit het ei komen zich nog voldoende ontwikkelen en zich voor de winter verpoppen.

Pop

De verpopping gebeurt meestal op vijf tot twintig cm hoogte aan de onderkant van een blad van de waardplant of onder een blad van een naburige plant. Zowel de poppen als de rupsen overwinteren in graspollen..

Bedreiging

Op Europese schaal is het bont zandoogje niet bedreigd en over het algemeen is het voorkomen stabiel. Uit vier Noord-Europese landen wordt een vooruitgang gemeld. Zo werd het eerste bont zandoogje van Zweden pas in 1939 gemeld. Deze uitbreiding aan de noordzijde van het verspreidingsgebied lijkt te maken te hebben met de opwarming van het klimaat.

Bescherming

Het bont zandoogje is een algemene standvlinder waarvoor geen speciale beschermingsmaatregelen nodig zijn. Wel zal de soort profiteren van een meer vlindervriendelijk bosbeheer. Een voorbeeld daarvan is kleinschalige kap van bomen in eenvormig aangeplante bossen, waardoor het bos gevarieerder en meer open wordt. Daarnaast kan er meer variatie komen in de bosranden. Een bosrandbeheer waarbij geleidelijke overgangen en inhammen ontstaan, is positief voor deze soort. Verder kunnen grazige vegetaties - bijvoorbeeld langs bospaden – in stand worden gehouden. In zulke vegetaties staan de grassen die als waardplant worden gebruikt. Groeien ze dicht, dan kunnen ze opengehouden worden door te maaien. Dit kan het beste gefaseerd gebeuren, omdat zowel de eitjes als de rupsen en de poppen zich enkele centimeters boven de grond bevinden.

Bronnen

Pararge aegeria

Taxonomie

Rijk Animalia
Stam Geleedpotigen (Arthropoda)
Klasse Insecten (Insecta)
Orde Vlinders (Lepidoptera)
Familie Nymphalidae (Aurelia's)
Geslacht Pararge

Kenmerken

Voorvleugellengte 19-22 mm
Spanwijdte 32-45 mm
Waardplanten Verschillende grassen waaronder kweek, kropaar, witbol, boskortsteel en reuzenzwenkgras
Vliegperiode Eind maart tot eind oktober in drie overlappende generaties
Grootte rups 27 mm

Voortplanting

Uitkomen eitjes 10 dagen

Voorkomen in Nederland

Status Oorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting
Zeldzaamheid Algemene standvlinder die zich in de afgelopen tientallen jaren sterk uitgebreid heeft
Bescherming Geen speciale beschermingsmaatregelen nodig
verspreidingskaart bont zandoogjeverspreidingskaart bont zandoogje

Verspreiding

Nederland Vrijwel het gehele land
Wereld Midden-Europa en Noord-Afrika
Biotoopvoorkeur Bosranden en open bossen, maar ook tuinen en parken in een bosrijke omgeving

Zoeken