Leefgebied

Er zijn drie soorten heidelibellen die vrijwel overal kunnen worden gezien: de bloedrode, bruinrode en steenrode heidelibel. De bloedrode heidelibel is de talrijkste van de drie en vliegt al vanaf begin juni. De steenrode heidelibel komt in Noord-Nederland wat meer voor dan in het zuiden. De bruinrode heidelibel is juist een zuidelijke soort. Deze twee libellen vliegen tot in november rond.

De bloedrode heidelibel komt voor in gematigde streken in heel Europa tot in het oosten van Siberië en het zuiden tot de noordelijke Sahara. Ze komen niet voor in noordelijk Scandinavië.

In Nederland komen ze overal voor. Alleen in de zeekleigebieden is de soort schaarser, met name in de kop van Noord-Holland.

De zomersoort komt voor van eind mei tot eind oktober, met een piek van half juli tot begin september. Bloedrode heidelibellen vertonen ongeveer hetzelfde gedrag als de meeste andere heidelibellen. Jonge dieren zijn in de wijde omtrek van het voortplantingswater aan te treffen, zittend in ruige vegetatie.

Habitat

De bloedrode heidelibel leeft tussen waterplanten en wortels van oeverplanten die in het water hangen. De habitat bestaat uit gebieden met stilstaande tot langzaam stromende, voedsel- en vegetatierijke wateren. Er is enige tolerantie voor brakwater maar de soort is in zeekleigebieden minder algemeen.

Er dient voldoende onderwatervegetatie aanwezig te zijn en boven het water uitstekende planten als riet en bies, zoals mattenbies. De larven prefereren onderwaterplanten als lisdodde Typha en paardenstaart

De larve leeft tussen waterplanten en wortels van oeverplanten die in het water hangen.

Herkenning

De bloedrode heidelibel is 34-39 mm lang. De spanwijdte bedraagt 50-60 mm. De poten zijn geheel zwart. In de basis van de vleugels zit een kleine gele vlek die duidelijk kleiner is dan bij de de geelvlekheidelibel, maar groter is dan bij de bruinrode en steenrode heidelibel. De ogen raken elkaar aan de bovenzijde.

Mannetjes hebben een achterlijf met een duidelijke knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Het achterlijf heeft in zijaanzicht zwarte streepjes die soms met elkaar verbonden zijn. Uitgekleurde mannetjes hebben een bloedrood achterlijf, een vrij egaal roodbruin borststuk, roodbruine ogen, een rood gezicht en roodbruine pterostigma’s. Jonge mannetjes zien eruit als vrouwtjes.

Vrouwtjes hebben een geel achterlijf en voorhoofd, die later bruin worden. Het achterlijf in zijaanzicht vertoont zwarte streepjes die soms een zwarte lijn vormen. Bij oude vrouwtjes wordt de onderkant van het achterlijf grijs bestoven. De pterostigma’s zijn bruin.

De vorm van de hamulus (mannetjes) en legschede (vrouwtjes) kan uitsluitsel geven bij het determineren van heidelibellen. Het dier moet hiervoor echter worden gevangen en met een loep worden bekeken.

Larve

De larve heeft een lengte van 13-18 mm. Het is een kleine korenbout met zwak ontwikkelde rugdoornen en kleine ogen. Op de segmenten 8 en 9 heeft het op de achterrand van de buikplaat (sterniet) een rij borstelharen. Zichtbaar zijn ook de lange zijdoornen op segment 9. De lengte van de zijdoornen op segment 8 zijn variabel maar vaak relatief kort. De larvehuidjes zijn variabel van kleur.

Het lijkt in grootte en bouw sterk op de steenrode heidelibel, de zuidelijke heidelibel en de bruinrode heidelibel. De steenrode heidelibel heeft echter geen borstelharen op sterniet 7 en 8. De zuidelijke- en bruinrode heidelibel hebben grotere ogen in verhouding tot de totaallengte van de kop.

Voedsel

Volwassen exemplaren zijn carnivoren. Ze eten kleine vliegende diertjes die ze uit de lucht pakken. Deze eten ze op tijdens het vliegen, of ze landen om te gaan eten. Met behulp van hun sterke kaken kunnen ze de prooien in stukjes knippen.

Larven eten kleine diertjes die ze met hun vangmasker vangen. Dit vangmasker is een uitklapbaar deel van de kop welke voorzien is van kaken. Hiermee vangen ze hun prooien en zuigen ze deze leeg. De larven zelf worden weer door vissen gegeten. Daarom zijn de larve vooral ’s nachts actief.

Weetjes

  • De bloedrode heidelibel dankt zijn naam aan de dieprode kleur van de mannetjes, de vrouwtjes zijn geel.
  • De soortnaam sanguinea betekent 'bloedrood'. In andere talen verwijst de naam ook naar de rode kleur, zoals in het Engelse ruddy darter dat 'rode libel' betekent.

Gedrag

De larve leeft onder water en jaagt op kleine ongewervelden. Volwassen dieren zijn ook jagers, maar houden zich voornamelijk bezig met de voortplanting. De larve is meestal nachtactief terwijl de libel alleen overdag te zien is, vooral bij zonnig weer.

Als het te heet wordt neemt de libel de karakteristieke obeliskhouding aan, waarbij de lichaamspunt naar boven wordt gericht. Hierdoor vangt het lichaam minder zonlicht waardoor oververhitting van het lichaam wordt tegengegaan. Dit gedrag is wel bij andere korenbouten bekend maar niet van alle libellen.

Mobiliteit

Net als andere heidelibellen zijn bloedrode heidelibellen zeer mobiel. Er zijn aanwijzingen dat met invasies van de geelvlekheidelibel ook veel bloedrode heidelibellen naar Nederland komen. Maar door de hoge aantallen die normaal al aanwezig zijn valt dit nauwelijks op.

Levenscyclus

De bloedrode heidelibel is een soort die pas relatief laat tevoorschijn komt en voornamelijk vliegt van juli tot oktober.

Geslachtsrijpe mannetjes vliegen bij het water en gaan regelmatig op uitstekende stengels in de oevervegetatie zitten. Ze speuren naar vrouwtjes voor de paring. Mannetjes die dichtbij komen worden meestal verjaagd.

De paring begint in de lucht en eindigt zittend. Opmerkelijk is dat de eitjes in de regel niet in het water worden afgezet, waar de larven zich ontwikkelen, maar op de oever. Hier overwinteren de eitjes in de modder om pas het volgende jaar met een flinke regenbui te worden afgevoerd naar het water. Soms worden de eitjes te ver van het water afgezet waardoor ze geen kans maken. Eitjes die in het water worden afgezet, komen waarschijnlijk nog voor de winter uit en overwinteren als larve.

De larven sluipen van eind mei tot september uit, met een piek in juli en augustus.

Eitjes

De eitjes worden vliegend in tandempositie afgezet. Dit gebeurt meestal op vochtige modder op de oever, dus niet in het water. Bij uitzondering wordt wel ei-afzet direct in het water waargenomen, of op geheel droge stukken land op meters afstand van het water (bijvoorbeeld een gazon). In het laatste geval zal dit niet tot nakomelingen leiden.

De eieren zijn bijna cirkelrond (0,67 x 0,61 of 0,55 mm), eerst geelwit, dan oranjebruin en karmijnrood tot zwart. Ze hebben ook een gel-omhulsel.

Larven

De larvenhuidjes zijn tot maximaal enkele decimeters hoogte in de oevervegetatie te vinden. De larven sluipen van eind mei tot september uit, met een piek in juli en augustus.

Predatie

Predatoren zijn vooral vogels die de libellen in de vlucht vangen en insectenetende wespen. Libellen kunnen ook in spinnenwebben terechtkomen of in vleesetende planten. Wanneer het in de herfst gaat vriezen sterven grote aantallen libbellen.

Bescherming

In de meeste natuurgebieden gelden 'huisregels' die het vangen van libellen zonder vergunning verbieden. Wanneer je serieus onderzoek wilt doen naar het voorkomen van libellensoorten, dan wordt een vergunning meestal wel afgegeven door de desbetreffende terreineigenaar, in ruil voor je waarnemingen.

Bronnen

Sympetrum sanguineum

Taxonomie

Rijk Animalia
Stam Geleedpotigen (Arthropoda)
Klasse Insecten (Insecta)
Orde Odonata (Libellen)
Familie Libellulidae (Korenbouten)
Geslacht Sympetrum (Heidelibellen)
Synoniemen

Kenmerken

Lengte 34-39 mm
Spanwijdte 60 mm
Vliegperiode Eind mei tot eind oktober, met een piek van half juli tot begin september
Grootte larve 13-18 mm

Voortplanting

Aantal eitjes
Grootte eitjes Bijna cirkelrond: 0,67 x 0,61 of 0,55 m
Uitkomen eitjes In het voorjaar
Ontwikkeling larven Enkele maanden
Vervellingen larven Negen keer na het prolarve stadium
Uitsluipen Juli tot oktober

Voorkomen in Nederland

Status Niet bedreigd
Zeldzaamheid Zeer algemeen
Bescherming Huisregels in natuurgebieden
Bloedrode heidelibel @ 2022 NDFF
Verspreidingskaart bloedrode heidelibel

Verspreiding

Nederland Komt voor in heel Nederland. Alleen in de zeekleigebieden is de soort schaarser, met name in de kop van Noord-Holland
Europa Komt voor in het grootste deel van Europa. In Scandinavië alleen in het zuiden en (nog) niet in Schotland. Schaarser in Portugal en het grootste deel van Spanje
Wereld Oostelijk tot in Siberië, zuidelijke tot in Noord-Afrika
Biotoopvoorkeur Gebieden met stilstaande tot langzaam stromende, voedsel- en vegetatierijke wateren

Zoeken

Taxonomie