Leefgebied

Mondiaal komt de azuurwaterjuffer oostelijk voor tot Centraal-Azië en zuidelijk tot Noord-Afrika. Hij komt in de meeste Europese landen voor, maar niet in het zuidoosten van Spanje, het noorden van Schotland, en in het midden en noorden van Scandinavië.

De azuurwaterjuffer kan in heel Nederland worden aangetroffen, maar is vooral talrijk op de hoge zandgronden.

Habitat

De habitat bestaat uit allerlei stilstaande en zwakstromende watertypen met een zandbodem. Drijvende waterplanten zijn een pre.

Biotoop

De azuurwaterjuffer is in Nederland vrijwel beperkt tot de pleistocene zandgronden en het duingebied. De soort is daar algemeen bij stilstaand water en, in mindere mate, bij zwakstromende beken en kanalen.

De populatieomvang hangt samen met de aanwezigheid van drijvende waterplanten: hoe meer drijvende waterplanten, des te groter de populatie.

Biotoopbeschrijvingen uit omliggende landen geven aan dat de binding aan wateren met een dergelijke vegetatie sterk is. De azuurwaterjuffer is bijna geheel afwezig in laagveengebieden. De waarnemingen uit deze gebieden betreffen waarschijnlijk zwervers, of berusten op verwarring met de variabele waterjuffer.

Larve

De larven leven tussen waterplanten op de bodem.

Herkenning

Azuurwaterjuffers zijn zeer slank en met een lengte van 33 tot 35 mm klein. De spanwijdte bedraagt 50 mm. De mannetjes zijn lichter en uitgebreider blauw dan andere waterjuffers. 

Op segment 2 staat doorgaans een U-vormige zwarte tekening, die niet is verbonden met de achterrand. De zwarte stukjes op bovenkant van de segmenten 3, 4, en 5 zijn zeer kort, ongeveer een vijfde van de segmentlengte. Hierdoor komt het middengedeelte van het achterlijf zeer blauw over, met een regelmatig patroon van zwarte vlekjes. Segment 6 is voor ongeveer de helft zwart en segment 7 is vrijwel geheel zwart. De segmenten 8 en 9 zijn grotendeels blauw.

Aan de zijkant van het achterlijf lopen de zwarte vlekken uit in een smalle streep richting de voorrand van de segmenten. De schouderstrepen zijn normaal ontwikkeld.

De mannetjes zijn lichter en uitgebreider blauw dan andere waterjuffers. Het achterrand halsschild is bij mannetjes golvend, met een breed afgerond middendeel.

Bij de vrouwtjes zijn de lichte delen groen tot blauw van kleur, meestal met een vrijwel geheel donkere achterlijfsrug. Er bestaat ook een vorm met blauwe vlekken op de segmenten 2 tot en met 5. Bij vrouwtjes is de achterrand van het halsschild accoladevormig, zonder duidelijke uitstulping in het midden.

Larve

De larven zijn lichtbruin of groenachtig van kleur. Ze zijn voorzien van drie kieuwen aan het uiteinde van het lichaam. Ze zijn ongeveer 15 mm lang. De kieuwbladen zijn 3 mm lang. Deze zijn puntig maar niet draadvormig. Lateraal zijn ze tot ongeveer het midden bedekt met stijve borstelharen De voelsprieten van de larven zijn opgebouwd uit zeven segmenten, het basissegment is niet bijzonder lang.

Voedsel

Net als de meeste andere libellen eten azuurjuffers insecten, die ze meestal tijdens de vlucht vangen.

Weetjes

  • De imagines (volwassen dieren) hebben een maximale levensverwachting van vier weken.
  • Bij de mannetjes missen de gele en de groene kleurstoffen, maar het zwarte melanine en het blauwe pigment zorgen samen voor het unieke patroon.

Gedrag

Vliegtijd

Azuurwaterjuffers hebben een lange vliegtijd, van begin mei tot in september. De hoofdvliegtijd loopt van half mei tot eind juli. Het gros van de imago’s is direct bij de waterkant of binnen enkele tientallen meters afstand daarvan te vinden, meestal in kruidenvegetatie. Eitjes worden in tandem afgezet, vaak groepsgewijs. Drijvende planten worden het meest gebruikt.

Mobiliteit

De mobiliteit is beperkt. Doorgaans blijven de imago’s in de omgeving van het voortplantingswater.

Levenscyclus

Het afzetten van de eitjes na de paring vindt in tandem plaats. Hierdoor verhindert het mannetje dat het vrouwtje door concurrenten bevrucht wordt. Het vrouwtje zet de eitjes met haar ovipositor in waterplanten af.

Eitjes

De eitjes hebben twee tot vijf weken nodig om larve te worden. 

Larven

De larven overwinteren en sluipen na een jaar uit tussen mei en augustus met de grootste aantallen in juni. De transformatie naar een imago vindt meestal in de late ochtend plaats. De transformatie, totdat de Imago vertrekt, duurt tussen de 30 minuten en drie uur.

Predatie

De groen-zwarte vrouwtjes worden minder vaak gegrepen door insecteneters, omdat ze minder opvallen. Blauwzwarte vrouwtjes zijn vaker een prooi van vijanden, maar hebben het voordeel dat ze minder last hebben van mannetjes die willen paren, zodat ze meer tijd hebben voor het zoeken naar voedsel en om eitjes af te zetten.

Bescherming

Geen details gevonden.

Bronnen

Coenagrion puella

Taxonomie

Rijk Animalia
Stam Geleedpotigen (Arthropoda)
Klasse Insecten (Insecta)
Orde Odonata (Libellen)
Familie Coenagrionidae (Waterjuffers)
Geslacht Coenagrion (Waterjuffers)
Synoniemen Azuurwichtje

Kenmerken

Lengte 33-35 mm
Spanwijdte 50 mm
Vliegperiode Begin mei tot in september
Grootte larve 15 mm

Voortplanting

Aantal eitjes
Grootte eitjes
Uitkomen eitjes 2-5 weken
Ontwikkeling larven 1 jaar
Vervellingen larven
Uitsluipen April t/m juli (piek in mei)

Voorkomen in Nederland

Status Thans niet bedreigd
Zeldzaamheid Zeer algemeen
Bescherming
Verspreidingskaart AzuurwaterjufferVerspreidingskaart Azuurwaterjuffer

Verspreiding

Nederland Kan in heel Nederland worden aangetroffen, maar is vooral talrijk op de hoge zandgronden.
Europa Komt in de meeste Europese landen voor. Niet in Zuidoost-Spanje, noordelijk Schotland, Midden- en Noord-Scandinavië.
Wereld Oostelijk tot Centraal-Azië, zuidelijk tot Noord-Afrika.
Biotoopvoorkeur In Nederland vrijwel beperkt tot de pleistocene zandgronden en het duingebied.

Zoeken

Taxonomie